|
| Verslag (97) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 Alfabetische index |
|
De ideale voorbereiding... Toen ik een tiental jaar geleden voor het eerst in Mirabel-au-Baronnies een vakantie doorbracht, in een huis met zicht op de berg, groeide het idee: daar wil ik wel eens op fietsen. Ik fiets al van kinds af, maar nooit echt met overleg of overgave, dat was voor later. In de zomer van 2001 kreeg ik de smaak goed te pakken. Het doel werd gesteld: in juni 2002 zou ik een poging wagen. Een nieuwe fiets gekocht, en trainen maar. Onmiddellijk heb ik er spijt van dat ik niet vroeger meer ben gaan fietsen. Ik geniet ervan en verlang meer en meer naar mij eerste kennismaking met een echte col. Ter voorbereiding nog flink wat Vlaamse en andere Ardennen beklommen. Net voor het vertrek besluit ik nog eens goed te gaan testen in de Ardennen. Het gaat geweldig. Nog twee flinke trainingen hierna en dan moet ik er wel helemaal klaar voor zijn… Op 1 juni komen wij in onze stek aan. Het is heerlijk Provençaals weer en gelukkig niet zo heet als de vorige keren dat we er in juni waren. Ik besluit dinsdag 4 juni als D-day te prikken en de volgende dagen nog wat rond te fietsen in de streek. De rit naar Les Pilles, die ik iedereen kan aanraden, brengt een eerste ontgoocheling. Het marcheert niet. Mijn vader, die ik nog moeiteloos op minuten reed de vorige week in de Ardennen, neemt op elke helling het voortouw. Ik kan enkel aanklampen. De laatste steile strook is er zelfs teveel aan: gelost. Ik ben exact 30 jaar jonger moet je weten, en mijn vader is een uitstekend getraind lange-afstandsloper, maar fietsen doet hij ergens tussendoor. Daar gaat de moraal. Stom geweest, de week voor het vertrek, en veel te diep gegaan. Ik twijfel of ik Bedoin wel zou proberen. De volgende dag rustig aan naar Puymerac gereden, om de Col de Puymerac van beide zijden te doen. Het gaat iets beter, maar een wereldprestatie zal er niet inzitten, zo merk ik. Op maandag met de familie genieten van de zon en rondtoeren in de streek. Rustige avond, geen wijn en vroeg naar bed. Wekker gezet en alles klaar voor de klim. De wekker gaat. Raam open: noodweer. Je kunt geen honderd meter ver zien, en de regen gutst naar beneden. Nooit meegemaakt hier. Maar morgen zal wel beter worden zeker? Het weerbericht bekeken: slecht weer, de hele week. Heb ik dan maanden getraind voor niets? Op goed geluk hetzelfde scenario: geen wijn en vroeg naar bed. Ondertussen gaat het weer over in een woeste storm-met-onweer. Van slapen komt weinig in huis: dit wordt niets. De wekker gaat, en inderdaad, het weer is nog slechter dan gisteren. Terug naar bed, met de wetenschap dat het niet voor dit jaar zal zijn. We maken plannen voor ‘s middags, met een glas rosé en een heerlijke pizza, als troost. Midden de maaltijd komt mijn schoonbroer de kamer binnen: de top komt vrij en de zon breekt door aan de andere zijde van de berg! Ondanks de volle maag en de wijn in het bloed besluiten we te vertrekken. Dé voorbereiding van de grote sportman: weinig slaap, vet gegeten en bovendien gedronken. Ik geef mijn sportdirecteur de opdracht mij er in Malaucène uit te gooien. In Malaucène linksaf, daar gaan we dan. Eerste bocht rechts: knal! Omhoog en hoe. En zoals te voorzien en te verwachten viel: de maag slaat dicht, de hartslag omhoog. Onmiddellijk naar 39x28. Na anderhalve kilometer staat de ploegdirecteur mij op de wachten. Telefonisch verwittigt hij het thuisfront over de voortgang der dingen. In mijn geval: de trage voortgang der dingen. Achteraf hoor ik dat zijn eerste mededeling was: hij haalt het nooit. Twee Nederlanders vliegen mij voorbij. Ik heb het warm (het is 24°), en een lichte hoofdpijn steekt op. Na drie kilometer geef ik mijn tweede illusie op: in één keer lukt niet. Ik stop bij mijn sportdirecteur, drink wat, laat de hartslag zakken, en spreek af dat hij me na de eerste steile strook, voorbij de Chapelle opwacht. Ik zal voor mezelf uitmaken of het zin heeft daarna verder te gaan of niet. De eerste strook van 9 %, moeizaam klim ik door, maar de hoofdpijn trekt weg. De maag blijft lastig, en de hartslag te hoog. Ik twijfel of ik wel verstandig bezig ben. Ik zie mijn sportdirecteur voorbijzoeven. Hij roept me toe dat ik beter rijd. Peptalk zeker? Een oudere Fransman rijdt mij in een prachtige stijl voorbij. Een deugddoende aanmoediging, en hop weer een km van 9% erdoor. De teller staat op 5,5 km, het gaat traag, maar op wat maagpijn na gaat het beter. Daar staat de sportdirecteur. Voet aan de grond, drinken en bussen wisselen. Ik ga door. Ik weet uit het profiel dat het tot de Belvédère rustig aan gaat. De temperatuur is ideaal nu, zo rond de 20°. Ik kan stilaan de hartslag onder controle houden. De pizza is verteerd. De sportdirecteur passeert. De top is nog vrij, maar er is slechter weer op komst. Ik moet mij dus haasten. Geweldig! De Belvédère komt eraan. Terug naar 39x28, maar de benen doen geen pijn. Traag maar zeker ga ik door. Ik begin er echt van te genieten. Ik ben met de wagen vanuit Bedoin naar boven gereden, en het bos beperkt het zicht enorm. Niet hier. Gestaag ga je hoger en links krijg je een steeds verder zicht op de Alpen, terwijl rechts de vlakte van de Provence aan je voeten ligt. Heerlijk. Minder heerlijk is dat ik van rechts donkere wolken zie opdoemen. Als dit maar goed gaat. Wagens passeren me, meestal met luide aanmoedigingen. Ook dalende renners moedigen me aan. Daar staat de directeur alweer. Gezwind fiets ik voorbij. Het gaat lukken! De benen doen nog steeds geen pijn en ik ben halfweg de tweede steile knik. Nog twee km aan 10,5 %, en het zwaarste is achter de rug. Het gaat niet snel, maar zwalpen doe ik niet. Ik geniet hoe langer hoe meer. Het stuk vals plat voor Mont Serein komt eraan. Je lijkt wel te vliegen. Ondertussen trekt de lucht dicht, het wordt koel. Gelukkig staat de sportdirecteur klaar met extra kledij. Geen discussie mogelijk: voet aan de grond en warme kledij aantrekken. Beenstukken heb ik niet, ik had ze goed kunnen gebruiken. Het is nog 7°. Ik begin aan het laatste stuk. Ik voel me nog steeds goed. Ik kan regelmatig 39x26 rondtrappen ook op de steilere stukken. De top komt nog niet in zicht, maar ik weet dat ik er bijna moet zijn. Na een flauwe rechtse bocht krijg ik eindelijk dat fantastische zicht op de top. Ik heb er ondertussen een tweede sportdirecteur bij gekregen. Een landgenoot op weg naar boven stopt bij elke bocht om mij aan te moedigen, en roept me toe dat er geen wind staat, maar dat er geen zicht is tijdens de laatste km. Ik kom aan de laatste lus, met een zeer nijdige binnenbocht. De mist overvalt me. Het is ijzig koud. Alsof dat niet genoeg is begint het te hagelen en te waaien. Ik ga op de trappers lopen, en bekommer mij niet meer om de hartslagmeter. Boven wil ik zijn, zo snel mogelijk. De laatste linkse haarspeld nemen en dan de laatste rechte lijn. Ik ben zowat doorweekt, en de knieën doen pijn. De sportdirecteur blijft achter, hij durft mij in dit hondenweer niet in te halen. Op de top staan een tiental mensen, en wanneer ze me zien opdoemen beginnen ze spontaan te applaudisseren. Een heerlijk moment, dat ik nooit vergeet. Ik heb het gehaald. Niet zonder stoppen en niet vanuit Bedoin. 2.16.00 is mijn fietstijd. In totaal heb ik zo'n tien minuten stil gestaan. Ik moet beter kunnen, maar gezien de omstandigheden ben ik de gelukkigste man van de wereld. Ik ben er! En wat voor mezelf belangrijkste is: het was zwaar, maar zwalpen heb ik nooit gedaan. Ik kon dus van elke meter (de eerste 4000 daar gelaten) genieten. Uit de mist doemen achter mij mijn sportdirecteurs op. Zij hebben mijn aankomst ge-‘mist'. Ik spring in de wagen. Het is 4°, het hagelt en je kunt van op de top de eerste bocht aan elke zijde niet zien. Afdalen zit er dus niet in. Voorzichtig met de wagen naar beneden. Net voor de chalet Reynard duiken we uit de wolk de zon in. Het wegdek is hier nog droog. Snel de fiets op om het bos door te rijden. Bij elke meter denk ik: volgend jaar ga ik hier naar boven. Zeker en vast! En het is bewezen: fietsen werkt ontnuchterend! |