|
18
september 2002
Ventoux-slaaf?
door Bas Steman - 1e
Nederlandse Galérien du Ventoux
Zwaarder
dan de Marmotte, de Dolomieten-marathon
of dan welke Tour-etappe dan ook. Meer
hoogtemeters dan de Ötztaler radmarathon. Wie Galérien
du Ventoux wil worden, moet een beetje verslaafd zijn.
Verslaafd van fietsen, verslaafd van de Ventoux. Wie rijdt er nu langs
vier verschillende kanten op één dag vier keer de
Mont Ventoux op? Ik voldoe aan de eisen en begin op 29 juli 2002 aan
mijn dieptegesprek met de Mytische Berg in de Provence. Een dialoog uit
vier aktes, 5922 hoogtemeters en bijna 190 kilometer. Een klimmer zal
ik nooit worden, daarvoor ben ik gewoon te groot en te zwaar. Geef mij
maar dijken, kasseien, draaien en keren en wind.
Tochten als de Marmotte,
de Dolomieten-marathon of L'etape du
Tour rijd ik op karakter. Vandaag zal ik vier maal de Berg
der Bergen moeten beklimmen om toe te treden tot het selecte gezelschap
van de Confrérie des Galériens du
Ventoux. Omdat drie keer al vaker is gedaan kies ik bij
inschrijving direkt voor de 'option musclée',
met de klim over de onbekende 'route forestiere'.
Vier keer naar boven, langs vier verschillende paden, met hun eigen
grilligheden. Bij de start in Bedoin heb ik nog altijd geen antwoord
gevonden op waarom ik zo nodig vier keer op één
dag de Mont Ventoux op wil rijden. Ik begin gewoon. Een paar minuten
voor zeven rijd ik nagezwaaid door mijn vrouw Ariane en mijn bijna
twee-jarige zoontje Jip, het beroemde dorp Bedoin uit. Bij een bakker
had ik mijn startstempel gehaald. Zo rustig mogelijk peddel ik over de
eerste uitlopers van de Berg, naar het bos. Het beruchte bos, waar het
pad kronkelt langs de bomen, en tien kilometer steevast blijft stijgen
tussen de 9 en 11 %.
De kale top ontwaakt in
het ochtendlicht. Vanuit een gehucht in het dal klingelen kerkklokken.
Mijn ochtendgebed gaat
over sparen en gespaard blijven. Zo zuinig mogelijk fiets ik mezelf
omhoog. Hartslag laag, ontspannen, zo min mogelijk druk op de
bovenbenen. Onderweg lees ik de namen van de renners die hier acht
dagen eerder tijdens de Tour de France zich een weg omhoog baanden.
Ook mijn eigen naam mag
ik ontdekken. Vaal, uitgesleten door getijden, staat er 'Go
Bas'.
Mijn herinneringen
reizen terug naar mijn trouwdag juni 1999, hier, op de top. Na een
lauterende klim vanuit Bedoin ontmoette ik boven mijn vrouw, die vanuit
Malaucène de reis naar gelukzaligheid was begonnen. Boven,
aan de voet van het Observatoire, bracht Liefde ons samen...
Ik adem de ochtendgeuren
van het cederbos. ik ga even staan om mijn rug te ontlasten en
moet me inhouden om niet op te schakelen. Vandaag is tempo niet
belangrijk, geen records. Vandaag gaat het om een andere orde van het
fietsen… Galérien…
Ariane en
Jip moedigen me aan, ze staan op dezelfde plek waar we stonden tijdens
de Tour-etappe.Virenque was
net alleen weggesprongen en naderde Chalet Reynard. Ik rijd de
pleisterplaats net voorbij. Nog zes kilometer naar de top door het
bekende maanlandschap.
‘Allez papa!',
klinkt een kinderstemmetje.
Na 1 uur en 40 minuten
sta ik boven. Eigenlijk iets te snel, vermoed ik. De rekening krijg ik
later wel. Op 39-28 kon ik niet langzamer rijden.
Alles is uitgestorven.
Restaurant Vendran en de souvenir-winkel zijn nog gesloten. Ik kan pas
de volgende keer afstempelen. Ariane geeft me mijn jas, helm en twee
bidonnen.
Vrije val naar Malaucène, heerlijk brede weg…
bijna 90 kilometer per uur..
Malaucène
De tweede klim begint in
Malaucène (stempel gehaald bij de fotograaf, reep gegeten,
bidonnen vol).
‘Er rijden
allerlei mensen voor je', zegt Ariane: ‘Alleen maar toeristen
en minder getrainden…laat je niet opfokken of ga ze niet
inhalen... je hebt een ander doel... blijf licht rijden!'
Als een volleerd
ploegleider rijdt ze langs me heen. Ik zie haar hand zwaaiend uit de
auto.
De kant van
Malaucène heb ik zeker al tien keer beklommen. Ik vind de
klim prachtig. In tegenstelling tot de kant van Bedoin komt hier na een
paar steile kilometers weer een stuk dat de Berg gastvrijer lijkt.
Op de weg lees ik Go
Ari. Nog altijd heldere witte letters, in het handschrift
van mijn zus. Ik denk aan de vrouw in de auto, hoe zij hier drie jaar
eerder omhoog fietste, om mij…
Toch merk ik dat ik er
al een beste klim op heb zitten. De spieren worden gevoeliger. Ik drink
en eet, drink… zweet en kom uit het zadel op het steile stuk
voor Chalet Liotard op Mont Serein.
Het gaat niet soepel.
Met alleen Luik-Bastenaken-Luik en Parijs-Roubaix
in de benen klim ik dit jaar niet zoals ik graag zou willen. Van de
winter, wanneer je de basis legt voor het seizoen zat ik immers meer
achter de schrijfmachine dan op de fiets. Ik verlang naar de gouden
benen van 2000, toen ik nadat ik de Marmotte had gereden, deelnam aan
L'etape du Tour. De route voerde van Carpentras over verschillende cols
en stukken vals plat naar Bedoin, naar de Mont Ventoux… Aan
het einde van die etappe wist ik de klim in 1 uur 23 en 45 seconden te
volbrengen, terwijl er boven een meedogenloze mistral in het gezicht
blies. En nu? Nu val ik al stil tijdens mijn tweede klim…
Het verbleekte hartje
met mijn naam erin dat destijds ook door mijn zus op de weg is
geschilderd, merk ik amper op. Verzuurd kom ik boven. Een blik op mijn
horloge, ik vul de tijd in op de kaart. Bijna 1 uur en 45 minuten,
reken ik uit. In de souvenirwinkel krijg ik een stempel, dan is het
helm op, jas aan en duikvlucht naar Bedoin… Heerlijk die
kantelende bochten!!
Route
forestière
In
Bedoin haal ik mijn felbegeerde stempel bij een café. Het
duurt even voordat ik er ben. Er is markt en de toeristen hebben geen
oog voor een Galérien in wording. Terecht?
Op een betonnen paal,
precies bij de marmeren streep in de weg waar de klim begint, ga ik
even zitten. Ariane en Jip staan er met de auto. Mijn vrouw heeft een
paar taartjes gehaald en een fles water. Heerlijk even uit het zadel,
ontspannen eten. Iets wat ik nooit doe tijdens cylco's, maar nu hard
nodig is. Ik gun mezelf de rust.
De derde route naar de
top vrees ik het meest. De eerste kilometers zijn identiek aan de klim
uit Bedoin, maar een paar kilometer voorbij St. Esteve (bij
dé bocht!!!) kan je een weg in naar links, die over de berg
naar de andere kant voert, om de laatste kilometers te rijden over de
weg vanuit Malaucène.
Eigenlijk is het
verboden om in te rijden, behalve voor bestemmingsverkeer.
Normaal gesproken komen er alleen mensen die werken in de bossen van de
Ventoux en verdwaalde wandelaars. De enige fietsers op wegfietsen die
er passeren zijn Galériens.
Ondanks alle
waarschuwingen over slecht wegdek, schrik ik toch van de gesteldheid
van het 'asfalt'.Grote gaten,
smalle strookjes verharding, gruis en keien... Ik waan me een
Tour-renner in de jaren dertig, die door een stofbril een begaanbaar
pad zoekt.
De serene stilte van de
verlatenheid wordt behalve door het geknerp van mijn banden, verstoord
door een ander geluid, dat ik niet onmiddellijk kan thuisbrengen.
Ik draai mijn hoofd naar
rechts… en kijk recht naar de dansende borsten van een vrouw
die aan het 'paardje rijden' is op een hevig geschrokken man.
Onmiddellijk slaat ze haar handen voor haar romp.
Mijn mond beweegt:
'Eh… bonjour….'
Ik
draai constant de 28 en de 26. De weg is soms steil, rond de 10%. Ik
voel me verdwaald. Waar ben ik? Hoe lang is het nog naar het asfalt dat
me de laatste vijf kilometer naar de top zal brengen?
De zon brandt, mijn
petje en shirt zijn doorweekt. Ik drink en drink, maar kan niet
voorkomen dat de kramp zich vastzet in mijn rechterbeen.
‘Verdomme!' Ik
sla met mijn vuist op de pijnlijke plek, probeer te rekken, maar het
helpt niet…
Ben ik verloren, eindig ik hier… stopt hier mijn
beproeving….
Enkele honderden meters
loop ik, en probeer ik de kramp uit mijn dij te schudden…
Met moeite vind ik het
zadel terug, mijn voeten klikken weer vast…
Ik fiets weer... ik adem
nog... mijn hartslag is nog altijd niet te hoog geweest… Ik
had meer moeten trainen… Hoeveel zou ik hebben getraind dit
jaar… hooguit 3500 kilometer?? In ieder geval veel minder
dan de afgelopen jaren. Te weinig?
Opnieuw een pijnscheut.
De Berg test me nu echt en drijft me regelrecht in de armen van mijn
zwaktes.
Of is het mijn verstand?
Of is mijn rede een alibi om op te mogen geven?
Nee!! Ik denk aan Ariane
en Jip, die vermoedelijk staan te wachten en wellicht al ongerust zijn?
Deze onbekende weg, dit keienpad gaat me niet nekken, toch? Hoe ver
nog? Doorzetten, om hen, om wie ik ben, om alles waarvan ik deel uit
maak, om wat ik nooit geworden ben... om onsterfelijkheid…
om de zelfkant van de Berg… Galérien…
Ik hoor auto's remmen,
de weg kan niet ver meer zijn... De weg is minder hellend…
daar is een hek... Jippie! Ariane!!
`Dit is meer iets voor
de ATB...', snauw ik: `Kramp gehad… God, wat een kloteweg...'
De route
forestière heeft wel iets heroïsch, maar wie een
‘lekkere fietstocht' wil rijden kan het pad beter mijden. Ik
doe een droog zweetshirt aan, verruil het petje voor een hoofdband, kus
vrouw en kind en hijs me krampontwijkend voor de derde keer naar de
top. Opnieuw kan ik het niet laten om de tijd uit te rekenen. Meer dan
twee uur en twintig minuten. Oefff!
Sault
In Sault
haal ik mijn stempel bij de Office de Tourisme. Ariane brengt me een
flesje cola.
Jip slaapt in de auto.
Samen maken we een paar nieuwe bidonnen aan en vul ik mijn achterzakjes
met enervite.
`De laatste keer,
Bassie', zegt ze: `Het is nu niet leuk meer daar boven hoor…
God, wat is het druk nu, al die toeristen... ze staan midden op de weg
zomaar stil… Nog één
keertje….'
De klim vanuit Sault
wordt ook wel de doetjes- of mietjeskant genoemd. De eerste 20
kilometer naar het Chalet-Reynard is erg eenvoudig. De weg stijgt
nauwelijks meer dan 4 tot 6% en heel rustig ontstijg je de
lavendel-velden en de bossen om voor de laatste maal het maanlandschap
te trotseren.
De kramp blijft weg. Ik
durf groter te gaan rijden. Op de 23 rond ik de bochten naar de top.
Twee mannen die zojuist de Ventoux hebben bedwongen zijn bezig aan hun
afdaling. Ze ballen hun vuist en roepen me moed toe. Ik glimlach en
geniet van hun uitzinnigheid. Ze moesten eens weten. Nog even...
Tussen alle kreten op
het asfalt ontdek ik opnieuw mijn naam, die van Jip en die van een
vriend. Vorig jaar september reed ik Jip omhoog, vanaf Sault. Op de
top, op dezelfde plek als waar we zijn gehuwd, zou Jip worden gedoopt
door vrienden en familie. Hij zat in een karretje achter mijn
racefiets.
Ariane en mijn vriend
Erik Jan vergezelden me. Die negende september was de Mistral zo
krachtig en onberekenbaar dat het niet verstandig was om door te
rijden, althans niet met Jip in een burley achter de fiets. Ariane en
ik baalden. Het doel, dat binnen handbereik lag, werd niet gehaald. Het
ging zo lekker, met karretje en al hadden we tientallen
Ventoux-pelgrims ingehaald. De dag erop, de dag nadat Jip op de Ventoux
was ingewijd in het aardse leven, deden we een nieuwe poging. Ditmaal
vanuit Malaucène. Na 2 uur en een kwartier stonden we op de
top.
Ik rijd het monument van
Tommy Simpson voorbij. Nog anderhalve kilometer naar de verlossing. Al
klimt de weg nog éénmaal gemeen tot 11%. Mijn
benen vinden weer kracht, ik schakel naar de 24, ik dans bevrijd. De laatste bocht... het is
volbracht… De laatste klim ging in in minder dan twee uur,
vier keer de Ventoux op één dag;
Galérien!! Als de organisatie al mijn stempels goedkeurt kan
ik nu toetreden tot het illustere genootschap van Galériens!
Hoeveel
mensen zouden er al Galérien zijn? Hoeveel Nederlanders zijn
me voor gegaan? Zijn er nog meer slaven en gekken van de Ventoux, die
vier keer de berg opgereden zijn?
Ariane en Jip wachten me
op. 'Papa! Papa!', roept het kleine mannetje.
Ik ontvang mijn helm,
jasje en een paar zoenen. We blijven even boven staan, voor een paar
foto's en om te genieten van het moment. Het lijkt wel of de
vermoeidheid verdwenen is.
Blij en trots daal ik
naar het bruggetje onderaan in Malaucène. Uiteindelijk ben
ik iets meer dan elf uur onderweg geweest, waarvan ik er 9 uur en 40
minuten heb gefietst. Met een betere voorbereiding moet het natuurlijk
sneller kunnen. Is dat belangrijk? Ik vind een mogelijk antwoord op
mijn vraag. Waarom doe je dit? Eigenlijk om het gedaan te hebben en
nooit meer te hoeven doen. Althans de eerste tijd niet. Maar ja... hoe
gek ben je?
Een
paar weken na mijn poging ontving ik het diploma van de
Confrérie. Ik ben de 59e Galérien ter wereld en
de 1e Nederlander die toetreedt tot het
illustere genootschap.
Bas (Tinus!
Tinus!) Steman
4 augustus 2002
11
juli 2000: L'etape du Tour 2000
Een week eerder had ik de Marmotte
gereden. In tegenstelling tot ieder verwachting was ik als niet-klimmer
toch in 8 uur binnen. Met veel moraal stond ik zeven dagen later naast
Greg Lemond (speciaal overgekomen voor een reunie met zijn Z-ploeg) aan
de start van L'etape du Tour 2000. Start in Carpentras over vier
colletjes van de tweede categorie naar Bedoin, dan naar boven. Meer dan
7500 deelnemers begonnen aan deze 150 kilometer lange cyclosportive.
Vanaf het begin deed ik
rustig aan en bleef ik in mijn eigen tempo rijden. Zij die sterker
waren of zichzelf overschatten liet ik gaan. Ik fietste nog op de roze
wolk van mijn gouden-marmotte.
Via Sault voerde de route
over de Col de Notre Dame des Abeilles (pittige kuitenbijter!!) naar
Mormoiron. Ik wist me omringd door ervaren dalers en hardfietsers en
liet me tussen de wielen meezuigen naar de voet van de Côte
de Mormoiron. Even op de pedalen, laatste staartje dorstlesser uit mijn
bidon. In Bedoin vulde ik mijn bidonnen en schakelde terug voor de
meedogenloze klim naar de kale top. De hele dag had ik het serene
landschap zien liggen, uitnodigend, maar ook dreigend was het.
Ik sloop omhoog, snakkend
naar een ritme... uiteindelijk vond ik mijn versnelling…
39-26… de kilometers begonnen te tellen.
Op de weg stonden al namen
geschilderd van profrenners. Zij zouden over twee dagen de exacte route
volgen. Om me heen hapten droge kelen naar zuurstof. In sommige
stervenden herkende ik nog de mannen die eerder die dag bij me vandaan
waren gedanst.
Het werd kouder. De
Naamgever van de Berg blies hard. Mijn benen pompten monotoon rond.
Zuur was nog net verdraagbaar. Het Chalet… ik haalde mijn
jasje uit mijn shirt en trok dit fietsend aan. Wat een koude! Wat een
wind!! Door de nevel was de top ineens onzichtbaar geworden. De hemel
trok dicht, alsof de Goden ons wilde beletten thuis te komen. Ik zette
aan, schakelde bij... naar de 23… ik heb nog over! Het
maanlandschap ligt me wel. Het is net niet steil genoeg om mijn ritme
te breken, zoals het bos.
De kou en de wind spanden
samen. Dranghekken schoven over de weg. Een toeschouwer riep dat ik bij
de eerste 300 reed. Nog één bocht…
terug naar de 25??
De laatste kilometer moet
pijn doen… ik ben boven. Verkleumd. Door de wind toch nog
wat tijd verloren… 1 uur 23 minuten 45 seconden vanaf het
hartje van Bedoin… Ik ben 80 kilo tevredenheid…
Ik rits mijn jas dicht en suis omlaag naar Malaucène, waar
de organisatie ons opvangt met zonnestralen, cola en diploma.
Twee uur na mijn finish
wordt de Berg afgesloten. Het is te gevaarlijk en te koud op de top om
het leger cyclosportieven te laten beginnen op de klim. De wind neemt
met een offensief van krachten boven de tien bezit van haar Ventoux.
Bas (Tinus!
Tinus!) Steman
Tijd: 1 uur 23
minuten 45 seconden - zie Klassement MV
Zie ook Verslag 145
|