![]() |
| Verslag (81) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 Alfabetische index |
|
De rit van mijn leven Zelfs meewarige blikken van mijn vrienden konden mij niet van de wijs brengen. ‘Jij gaat de Mont Ventoux beklimmen?' zeiden ze, ‘je bent niet helemaal in orde!'. ‘Het houdt me in ieder geval van de straat', antwoordde ik. Sommige waanideeën kunnen erg gevaarlijk zijn. Ik behoor pas sinds kort tot die vreemde groep fietsers wiens kick bestaat uit het beklimmen van beroemde Tour de France beklimmingen. Hoe zwaarder de categorie van een beklimming, hoe groter het prestige. Ik ben bang dat het weer terug is naar knikkeren vroeger op school. Sommigen van ons hebben het schoolplein eigenlijk nooit verlaten. Tot nu toe heb ik pas twee beklimmingen onder de wielen maar ik klim ook nog niet zo lang. Eigenlijk verschil ik niets van de race gekken die elk Formule 1 circuit bezoeken. En net als golfers die op alle beroemde golfcourses willen spelen volgen wij onze wielerhelden. Het heeft geen zin te proberen ons te stoppen. We hebben net zoveel overtuiging als bedevaartgangers naar Lourdes en zijn net zo onverzettelijk als een solo zeiler rond de wereld. Klimmen geeft ons een doel in het leven. Ik koos voor de Mont Ventoux in de Provence omdat het een van de legendarische beklimmingen is, zoniet de ultieme Tour de France berg. Een klim van 21,5 km naar een hoogte van 1912 meter, alom gevreesd, zelfs door de profs. En natuurlijk omdat hij in 2002 terug was in de Tour. Logistiek gezien was het een makkie; de details van de etappe haalde ik van de website van Le Tour, kocht een Michelin kaart en reserveerde een plaats in een trein naar Avignon. Mijn fiets ging mee in een geleende ‘bike box'. Op het station van Schiphol viel ik met de forse koffer nauwelijks op tussen alle zakenlieden die zich naar diverse vergaderingen in Europa spoedden. Bagage kon nu boven op mijn fiets gegooid worden zonder mijn derailleur te beschadigen. Fietsers vrezen de beklimming van de Mont Ventoux. Er is bijna geen beschutting of schaduw, en op een hete dag is het net een oven wanneer de zon op het witte granieten oppervlak weerkaatst. Lichtere stukken om de pijn te verminderen zijn niet te vinden. Slecht voor renners maar mooi voor toeschouwers want gewoonlijk is er genoeg drama tijdens de race om ‘le maillot jaune'. Misschien maakt het landschap de Mont Ventoux zo speciaal, van bos naar een maanlandschap op de top waardoor je de indruk krijgt dat er sneeuw ligt. Hoe dan ook, het is meer dan een mythische beklimming met een angstaanjagende reputatie. Niets ontziend, als een gestrande walvis, ligt hij daar in het landschap en lijkt alle ruimte aan de horizon voor zich op te eisen. Het is een lugubere omgeving met mystieke eigenschappen. Door de jaren heen zijn verschillende fietsers ten prooi gevallen aan deze berg, van amateurs tot profs. In 1955 was een renner genoodzaakt de Tour te verlaten nadat hij op zijn fiets ineengestort was, maar de beroemdste was de Engelsman Tom Simpson die in de Tour van 1967 op dramatische wijze aan zijn einde kwam. Simpson was de eerste Britse renner die de gele trui droeg en is tot op vandaag de enige Engelsman die serieus voor de eindoverwinning streed. Tijdens zijn beklimming raakte Simpson vlak bij de top een kei langs de kant van de weg en viel van zijn fiets. Op dat moment sprak hij zijn beroemde laatste woorden: ‘Put me back on my bike'. Simpson kreeg zijn pedalen nog een paar keer rond voordat hij plotseling over zijn stuur in elkaar zakte. Wanneer je bijgelovig bent kan je het volgende stukje beter overslaan. Het was de 13e etappe, op 13 juli, hij viel 1,3 km van de top en 13 km van de finish in Carpentras. De officiële doodsoorzaak was uitputting door hitte en uitdroging maar er werden ook amfetaminen in de zakken van zijn koerstrui gevonden. Het was een smoorhete middag, in een nabijgelegen café spatte een thermometer bij 54 graden Celsius uit elkaar. In 2000 bezocht de Tour de France de Mont Ventoux en wederom op deze heilige dag. De 12e etappe van 142,5 km startte in Carpentras. In 2002 ging op 21 juli de 14e etappe over 202 km vanuit Lodève naar de top van de Mont Ventoux. De uitslagen zijn bekend. Mijn oorspronkelijke plan was om een aantal dagen na de Tour van 2002 in één dag de etappe van 2000 te rijden. Voordat ik Nederland verliet betaalde ik al mijn rekeningen en maakte een testament. Mocht ik van mijn fiets vallen zet me er dan niet meer op maar breng me terug naar mijn hotel! In mijn hotel in Carpentras at ik een stevig ontbijt en controleerde mijn rugzak op de noodzakelijke spullen: regenjasje, warme trui, camera en heel veel conditieondersteunend gedroogd fruit, chocolade repen en blikjes sardines. Mijn horloge en ring gingen af en ik liet de sleutel van mijn kamer bij de receptie achter. Ik had al meer dan genoeg gewicht bij me. De problemen begonnen al vroeg. In mijn enthousiasme om te starten was ik vergeten mijn achterwiel goed vast te zetten. Dit werd duidelijk bij het eerste stoplicht waar het wiel mijn fiets verliet, 50 meter van mijn hotel. Het lukte me om mijn verlegenheid te verdoezelen door net te doen alsof ik een enorme krachtsexplosie had verricht toen het licht op groen sprong. Daarna wachtte mij het gekmakende eenrichtingverkeer doolhof van Carpentras. Maar eenmaal buiten de stad was ik al snel op het Vaucluse Plateau en de zon begon mijn blote benen al lekker op te warmen. De Col de Murs (627 meter) zigzagt naar boven en er is geen 15 meter zonder bocht. Een prachtige afdaling bracht me in de vallei van Luberon en ik werd verwelkomd door een oogverblindend veld van wuivende klaprozen. Boomgaarden met kersenbomen begeleidden me langs de verlaten wegen tot aan mijn lunch stop in Saint-Saturnin-les-Apt. Daarna werd het heel zwaar. Op de weg naar Sault, tijdens de beklimming van de Côte de Javon, stak een venijnige tegenwind op. Geen uitstel, geen rug om achter te schuilen. De Mont Ventoux doemde op en de steenwoestijn en de radarapparatuur waren duidelijk zichtbaar. Ik had al een glimp van het monster gezien door het raampje van de TGV. Het fluisterde toen tegen me: ‘kom maar op als je durft, laat maar eens zien wat je kan'. Net als Langnek op de Efteling kijkt de Ventoux op alles in zijn omgeving neer, kilometers lang. Het is net een denkbeeldige lijn die mediterraan Frankrijk van de rest van het land scheidt. Na Sault bracht een gelijkmatige klim van de Col de Notre-Dame-des-Abeilles naar ongeveer 1000 meter. De beloning maakte de pijn meer dan goed: een 16 km lange afdaling over het gladste asfalt wat je je kan indenken. Graag wil ik hierbij verklaren dat ik de etappe in een dag had kunnen rijden, maar op de Côte de Mormoiron, na ongeveer 120 km, kon ik mijn benen nog nauwelijks bewegen. Als ik was doorgegaan was ik waarschijnlijk de eerste verongelukte Nederlander op de Ventoux geweest. Toen ik bijna terug was in Carpentras voelde ik me ineens weer kiplekker. Het is helaas niet anders, misschien dat ik het achteraf toch in een keer had kunnen doen. De volgende dag sliep ik uit en vermeed ik de hitte. Tweede poging. Ik vertrok in de loop van de middag en bijna ging het nog mis. Een half uur lang zat ik trillend op de rand van het bed in mijn hotelkamer. Ik kon mijn handen nauwelijks stilhouden en vroeg me af waar ik in godsnaam aan begonnen was. Bedoin, aan de voet van de Mont Ventoux, zat vol met laat lunchende mensen. Er wordt gezegd dat Simpson met andere renners nog een cognacje heeft genomen voordat met de gevreesde klim werd begonnen. Op mijn lichtste versnelling vond ik al snel mijn cadans en klom ik door het naar dennen geurende bos. Nieuwsgierige bijen botsten tegen mijn voorhoofd en vervolgden hun reis. De bestuurders van passerende autos gaven me alle ruimte maar hun opgetrokken wenkbrauwen duidden op twijfels over mijn verstand. En toen werd het serieus. Niets in mijn leven had me voorbereid op iets wat hier op lijkt. Ik heb hoger en steiler geklommen maar nooit ging het voor eeuwig door. Binnen 10 minuten was ik doordrenkt. De gigant van de Provence werd een kannibaal, een eter van renners. Met mijn hoofd naar beneden zag ik eruit als een geplaagde pelgrim, boetende voor zijn zonden. Iets vreeslijks moet in onze jeugd zijn voorgevallen waardoor wij onszelf op deze manier pijnigen. Plotseling zag ik flitsen voor mij. Fietsers kwamen met meer dan 80 km/uur naar beneden suizen. Hun lichte carbonfietsjes maakten wilde snorrende geluiden. Wanneer de profs een berg beklimmen stralen zij panache uit waardoor het lijkt alsof ze dansen. Ik leek meer op de klokkenluider van de Notre Dame. ‘Rustig aan, eigen tempo' bleef ik tegen mijzelf zeggen. Makkelijker gezegd dan gedaan wanneer 5 minuten als 5 uur aanvoelen en je benen als beton. Mijn vrienden hadden me gewaarschuwd. Je leert je grenzen kennen op een fiets. Wanneer je het gevoel hebt dat je een caravan aan het trekken bent, en dat in je lichtste versnelling, dan is het tijd om te kappen. Ik wilde niet gezien worden dus droeg ik mijn fiets een stuk het bos in en picknickte met gesmolten Snickers en heet bronwater uit mijn bidons. Vliegen vielen mijn met zweet en factor 20 bedekte armen aan. Het was een zielig gezicht: daar zat ik achter een boom, schuilend voor auto's, scooters en mede fietsers. Daarboven zijn geen schuilplaatsen. Een fietser passeerde, hij ging van links naar rechts en met dezelfde slakkengang als ik. Goed om te zien dat iemand anders net zo lijdt als ik en ook bijna geen voorwaartse beweging heeft. Tenslotte wint de berg het weer van je gedachten. Het is slechts een mengeling van trots en stupiditeit die je aan de gang houdt. Het werd kouder. De armstukken gingen aan en de rits van mijn koerstrui omhoog. Terug op de weg vocht ik tegen de behoefte om mijn fiets te keren en af te dalen naar Carpentras. Waarschijnlijk had ik inderdaad een U-bocht gemaakt als er geen oude Fransman met zijn vrouw aan de kant van de weg had gezeten. Gezamenlijk zaten zij te genieten van een picknick. ‘Allez', riep hij toen hij de uitputting op mijn gezicht zag. Ik probeerde te glimlachen maar het lukte niet, een grimas zat vastgebakken op mijn gezicht. De oude man bood mij wat water aan en moedigde me aan om niet op te geven. Het was nog maar 6,5 km naar de top schatte hij. De pijn bleef, maar ik kreeg het gevoel alsof ik een duw in mijn rug kreeg. Het bos hield op en een vreemd landschap ontvouwde zich. Het leek alsof ik op de maan geland was en flarden van gedachten aan Neil in plaats van Lance Armstrong vlogen door mijn hoofd. Sinds de ontbossing ten behoeve van de scheepvaart eeuwen terug groeit hier eigenlijk niets meer. Toen ik Chalet Reynard bereikte begon ik inwendig al te juichen. Geestelijk wist ik dat het ging lukken. Het stijgingspercentage liep op maar ik kon in ieder geval al de top zien. Ik stopte voor de broodnodige Coke en kletste wat met een andere Nederlander. Hij had al 20 Tour de France beklimmingen achter zijn naam staan. We waren net twee kleine jongens die voetbalplaatjes verzamelen. Iets verderop filmden Deense fietsers elkaar terwijl ze stunts op hun fiets uitvoerden. Wat zei ik ook alweer over het nooit verlaten van het schoolplein? Er stond nog een stop op mijn programma. Dertienhonderd meter van de top, op de plek waar hij viel, staat het monument ter ere van Tom Simpson. Allerlei attributen bewegen zich in de wind, fietshandschoentjes, binnen- en buitenbanden, bloemen, zadels en petjes. Er is ook een aangrijpende gedenkplaat van zijn twee dochters. Toen ik de top bereikte begon de zon al onder te gaan en alle gevoel was uit mijn handen. De winkels waren al dicht wat mij het verlangen naar het kopen van souvenirs en geen plek om ze op te bergen bespaarde. Het gelukzalige gevoel weerhoudt mij ervan om te vertellen hoe lang ik over de beklimming heb gedaan. Het officiële record staat op naam van Charly Gaul, 1 uur 2 min. en 9 sec. Laten we zeggen dat ik daar niet bij in de buurt ben gekomen. Zoals altijd is er een goddelijk geschenk voor al het lijden. Fietsen biedt een simpele overeenkomst: hoe groter de geleden pijn hoe prettiger de afdaling. Ik had een fijne afdaling verdiend en dat is precies wat ik kreeg. De fantastische afdaling volbracht ik in iets meer dan 20 minuten waarbij de teller regelmatig over de 80 km/uur ging. Er was geen auto te zien dus had ik de hele weg voor mijzelf. Een lichte verschuiving van mijn lichaam was al genoeg om door een bocht te gaan. Terug in Carpentras waren mijn benen bedekt met vliegen in verschillende staat van sterfelijkheid. Na een lange warme douche was de pijn allang weer vergeten. Dat is maar goed ook want waarschijnlijk was ik anders nooit meer op een fiets gestapt. Mijn beloning bestond uit meerdere biertjes en een ondefinieerbare kebab. Ik stortte op mijn bed om 23.00 uur. Elk bot in mijn lichaam deed pijn. Mijn kont was rauw en de belendende delen gevoelloos. Maar in mijn hoofd waren geest en lichaam in perfecte harmonie. Het beklimmen van de Mont Ventoux is zeker niet leuk maar het geeft een overweldigend gevoel dat je iets hebt bereikt. Wanneer ik weer in Frankrijk ben zal ik me misschien als een echte toerist gedragen maar eigenlijk betwijfel ik het. Ik ben al aan het kijken wat de volgende beklimming wordt. Misschien de Alpe D'Huez of de Galibier. Dan zal ik in ieder geval een filmrolletje in mijn camera doen. Eric van den Hoek Amstelveen, augustus 2002. |