|
| Verslag (69) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 Alfabetische index |
|
Held op de Mont Ventoux Het display van de wekkerradio knippert me tegemoet: 01.55 uur. Het duurt even voordat het tot me doordringt dat het knipperen iets met stroomstoringen te maken zou kunnen hebben. Zucht, niet nu… Gelukkig, mijn sporthorloge ligt naast me. Ik pak het apparaat en druk op het lichtknopje om eerst maar eens te kijken hoe laat het werkelijk is, maar het ding begint onmiddellijk te piepen. Welk knopje ik ook indruk: het ding blijft gewoon piepen. Batterij op! Ik ben nu goed wakker en voel een lichte irritatie opkomen. De wereldontvanger! Natuurlijk, dat ding heeft ook een wekkerfunctie. Ik sta op en doe het licht aan. Nadat mijn pogingen om de wekfunctie van de wekkerradio te activeren stranden, begin ik langzaam maar zeker te schuimbekken… Een deel van de familie is inmiddels ook wakker geworden en vraagt wat ik allemaal aan het doen ben. Mijn dochtertje van 7 biedt tenslotte heel slim haar wekkertje aan. Het ding werkt zoals een wekker dat hoort te doen en nadat ik het licht uit gedaan heb, wordt het weer stil in ons vakantiehuisje. Ik kan de slaap echter niet meer vatten: Mont Ventoux, als dat maar goed gaat. Sinds een maand of wat ben ik nu lid van de Wieler Tour Club Gorssel en ik weet één ding zeker: meer dan 3% is aan mij niet besteed. Maar ja, je wilt Coppi spelen of niet en toen Peter aangaf dat hij er over nadacht om de Ventoux te gaan doen zei ik: "Stop met denken, ik ga met je mee!". Dat Peter – een toevallige medebewoner van het vakantiepark – niet zo lang geleden met een aantal van zijn collega's binnen een week van Milaan naar Rotterdam was gefietst en dat ze daarbij onder andere de St. Bernard even gedaan hadden was ik op dat moment even vergeten. Maar het zit mij niet lekker: allerlei rampenscenario's spoken door mijn hoofd. Ik zou natuurlijk nog kunnen afhaken: gewoon zeggen dat ik me niet goed voel of zoiets. Ik knijp hem als een ouwe dief! Waarvoor? Eigenlijk maar voor twee dingen: de beklimming en de afdaling. De beklimming dat lijkt me gewoon doodgaan van ellende, maar de afdaling, daar krijg ik bij voorbaat al de rillingen van. Steentjes in de bochten, knappende spaken, lekke banden, shimmy'ende voorwielen, brekende voorvorken. Het zweet staat me op het voorhoofd. Het is al halfvier en om half zeven vertrekken we …Drrrriing!!! De wekker: kwart voor zes. Ik sta op en kleed mij zonder al te veel enthousiasme aan. Na een niet al te uitgebreid ontbijt en na Heleen gedag te hebben gezegd ga ik op weg naar het huisje van Peter. Als ik daar aan kom staat Peter al klaar. De fietsen hebben we gisteren al op de auto gezet en we kunnen dus direct vertrekken. Vanaf Méjannes-le-Clap naar Malaucène is het zo'n 100 km. Het is heerlijk rustig op de weg en we schieten goed op. Bij Bollène steken we de Rhône over en weldra rijden we in de vakantie-omgeving van een paar jaar geleden. We zien de berg al snel liggen en kilometer voor kilometer komt ie dichterbij. Nog even en we zijn er. In Malaucène zoeken we een parkeerplaats en vinden tenslotte een plaatsje bij de kerk. Ik stap uit en haal mijn trouwe fiets van de auto. Het is halfnegen 's ochtends en de zon is al aardig warm. Nadat ik alle bidons en bananen heb weggestopt, de banden op spanning heb gebracht en het Stormink-tenue heb aangetrokken zijn we zover: we kunnen vertrekken! We gaan voor de meest directe route: Malaucène (377 m) – Observatoire (1909 m). Rustig rijden we het dorp uit. Naast de route bevindt zich een camping met heel veel tenten, maar met minstens net zoveel fietsen. Als ik omkijk zie ik een groepje achter ons fietsen. Leuk, al komen ze wel snel dichtbij. De weg wordt trouwens minder leuk, dat wil zeggen het begint al aardig omhoog te gaan en ik schakel van 42/23 naar 42/26. Ik had gedacht de 42/26 als een soort reserve achter de hand te kunnen houden, maar dat valt dus vies tegen. Peter zie ik met het groepje dat me net voorbij is gekomen ondertussen snel kleiner worden, ze rijden allemaal behoorlijk wat soepeler dan ik. Het maakt mij niet zoveel uit en we hebben tenslotte de afspraak dat ieder zijn eigen tempo moet rijden. Niet veel later rij ik 11 soms 12 km per uur en hijg als een postpaard en Peter is nergens meer te zien. Wat een klote berg! Ik heb pas 3,5 van de 21 km achter de rug en opgeven lijkt mij het slimste, maar dat lijkt mij zonder Peter daarvan op de hoogte te stellen een klerestreek en dus rij ik door. Na een kilometer of vijf staat er een lotgenoot langs de weg op adem te komen. Verstandig lijkt mij en ik stap naast mijn lotgenoot – die overigens een lotgenote blijkt te zijn – van de fiets. Gezien het feit dat ik geen lucht meer over heb, voel ik niets voor een uitgebreide conversatie en houd dus wijselijk mijn waffel. Na een tijdje stapt mijn lotgenote weer op de fiets en met een hoog beentempo (triple'tje) verdwijnt ze slingerend uit mijn blikveld. Ik blijf nog even staan en net op het moment dat ik wil opstappen komen twee zeer fris en fraai ogende Françaises in het zicht. Ze fietsen me op hun zo te zien spiksplinternieuwe Coppi KT2's met een noodtempo voorbij terwijl ze uitgebreid met elkaar aan het kletsen zijn! Dat lijkt toch op gebrek aan respect voor iemand die graag zelf voor Coppi had willen spelen... Met de moed der wanhoop werk ik mij weer op de fiets en vervolg de weg, hij is nog lang. Niet veel later krijg ik mijn lotgenote weer in het zicht. Ik denk dat ze zo'n 6 à 7 km per uur rijdt en ondanks het feit dat mijn hart het ritme van een houseparty aanhoudt, het zweet uit alle poriën spuit en mijn rug pijn begint te doen rij ik nog steeds een kilometertje of 11 per uur. Ik zie dat ze weer afstapt. Een vrouw met briljante ideeën: ik volg haar voorbeeld. We hebben er al acht kilometer opzitten! Bijna op de helft dus. Opgeven vind ik iets minder een optie dan een kilometertje of wat terug. Na een tijdje vertrekt de dame weer en even later volg ik braaf haar voorbeeld. Even later zie ik Peter naast de weg zitten. Ik stap voor de verandering maar weer eens af. Peter informeert hoe het gaat. Goed, zeg ik. Peter is gerustgesteld en vertrekt weer: van mijn tempo worden zijn spieren koud. Even later durf ik ook weer. Honderd meter verder word ik door een landgenoot ingehaald. Hij heeft een gedicht verzonnen roept ie me toe: "Comparé avec…, nous sommes tous des femmes". Ik versta hem niet goed, maar neem mij voor ook een gedicht te verzinnen voor als ik hem nog eens tegen kom. Ik trap me helemaal gek! Holy shit! Wat een kreng, die berg. Elf kilometer. Yes! Over de helft. Daar is mijn lotgenote weer. Ik ben benieuwd waar ze vandaan komt. Als ik voor de zoveelste keer over mijn fiets hang en ik weer wat op adem ben gekomen vraag ik waar ze vandaan komt. "England", antwoord ze. Veel meer tekst heeft ze ook niet, dat stelt gerust. Even later vertrekken we weer, samen met een krijtwitte Fransoos die er net zoals wij ook niet veel van terechtbrengt. Ik informeer lachend of hij dit nu leuk vindt, hij grijnst terug… Zelf begin ik het zowaar leuk te vinden en denk dat ik boven ga komen! Na weer een paar honderd meter wordt het wat vlakker en ik rijd wonder boven wonder van mijn lotgenote en lotgenoot weg. Na het restaurant op vijf kilometer van de top wordt het weer akelig steil – zo'n 12 à 13% - en ik krijg visioenen van een 39 voor en een 28 achter. Een visioen is leuk, maar ondertussen moet ik de 42/26 blijven rondraaien. Mijn snelheid is gedaald tot 9 à 10 kilometer per uur: ik wist niet dat ik zo langzaam kon. Bij de slagboom waarop een bordje hangt dat de col open is, krijg ik kramp in mijn bovenbeen en schiet mij opeens een rijmpje door het hoofd: Ik ben
zo moe, moe, moe En nou maar hopen
dat ik onze landgenoot nog eens tegenkom. Ik ga wat verzitten en de
kramp laat zich niet meer voelen. Ik drink wat sneller in de hoop dat
dat de kramp definitief de nek omdraait. Vóór mij
zie ik ineens een hele kale berg. Nog een kilometertje of drie. Als ik
voor de tigste keer weer eens afstap – dit keer naast een
auto van twee dames die hun fietsende echtgenoot respectievelijk
fietsende vader van het nodige voedsel en de nodige drank moeten
voorzien – zie ik het observatorium al boven mij. Ik stap
weer op en worstel mij meter voor meter naar boven. Ondanks het feit
dat ik niet veel harder dan acht kilometer per uur rij voel ik mij
super. Geweldig, wat een berg! En daar bij het uitzichtpunt staat
Peter. Ik zet nog even aan – nou bij wijze van spreken dan
– en rij hem met een brede grijns tegemoet. Ik heb het
gehaald! We besluiten dezelfde weg terug te nemen, zetten ons op de fiets en daar gaan we. Getver! Ik moet er niet aan denken dat er iets mis gaat en met de vingers krampachtig om de remgrepen rijd ik naar beneden. Harder dan zo'n 30 kilometer per uur durf ik op het bovenste stuk niet. Eventuele fietsers achter me, moeten oppassen dat ze geen rookvergiftiging van mijn remblokken oplopen! Maar na de laatste haarspeldbocht laat ik voorzichtig mijn remmen los en binnen enkele seconden rijd ik tegen de vijftig. Ik merk dat het went, maar veel harder lijkt mij niet echt verstandig. Dus bij blijven remmen! Ik zie alle inmiddels bekende bochten, bordjes, struiken en rotsen voorbij flitsen. Na het restaurant durf ik nog wat harder, sterker nog: er past weer een vloeitje tussen de remblokken en de velg. Wat een weg! Zo glad als een biljartlaken en hele mooie overzichtelijke bochten. Wauw! Heel snel kijk ik op mijn computertje: 65 km/u en ik vind het nog leuk ook. Na een paar minuten zie ik Peter op een parkeerplaats staan en na wat stevig remwerk sta ik naast hem. Ineens zie ik nog wat mensen die mij bekend voorkomen al weet ik niet onmiddellijk waarvan. Ik word ook bekeken en ik meen een blik van herkenning te zien. Verrek: verdwaalde dorpsgenoten! Ik schud ze de hand en begrijp dat ze me in eerste instantie aan het Stormink-shirt herkenden. Als ze even later in de auto stappen om hun beklimming te vervolgen, stappen Peter en ik op de fiets voor het laatste stukje afdaling. Peter daalt weer stukken harder en spoedig rijd ik weer alleen. Ik vind het prachtig en begin zo hard als ik kan het slotkoor van de 9e van Beethoven te fluiten. "Alle Menschen werden Brüder" en zo. Heel wat hoofden draaien met mij mee en ik zit grinnikend op de fiets. De Mont Ventoux is prachtig en ik vrees dat ik vaker dit soort capriolen ga uithalen. Inmiddels rij ik weer naast Peter en als we Malaucène binnenrijden verandert de weg van biljartlaken in een (franse) standaardweg en prompt schiet ik op een hobbel bijna van mijn stuur af. Even later zitten we naast het kerkje na te genieten en laten we ons vollopen met heerlijk lauwwarm bronwater. Mooi man, dat fietsen! Mijn tijd wou je nog weten? Ik ben d'r gek! Ik moet toch een beetje aan mijn reputatie denken. |