![]() |
| Verslag (66) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 Alfabetische index |
|
Zomervakantie 2001. We zouden naar Zuid Frankrijk gaan en omdat daar de tour net langskwam, sprak ik af met collega Stijn dat we elkaar zouden treffen bij Alpe d´Huez, om daar de etappe te kijken en zelf ook een keer naar boven te rijden. Nog nooit had ik een echte berg beklommen, maar elke keer als ik de echte klassiekers tijdens de vakantie met motor of auto passeerde, had ik even spijt dat ik mijn fiets niet bij me had en bedacht ik of ik niet ergens gauw een fiets zou kunnen huren om even naar boven te rijden en terug. Het was er nooit van gekomen. Dit jaar had ik mijn oude racefiets dan eindelijk achterin gegooid, een Giant Speeder met nog echte toe-clips. Mijn pas aangeschafte Eddy Merckx zou toch maar gejat worden en fietsen zou geen hoofddoel zijn deze vakantie. Eindelijk, dacht ik toen nog, zou ik de berg der bergen gaan beklimmen, de Alpe d´Huez, waar al zoveel Nederlandse triomfen gevierd werden. Ik vroeg me wel af of het zo verstandig was om dat als 34-jarige samen te doen met Stijn, een "echte" wielrenner van 25 die koerste bij de amateurs, maar ala, op karakter moest ik toch minstens boven kunnen komen. Bij Alpe d´Huez bleken meer mensen te zijn met dezelfde plannen: we waren al te laat want alle campings stonden bomvol met voornamelijk als wielrenner uitgedoste amateurs zoals ik, met blikken in hun ogen van: Morgen moeten wij de touretappe rijden, zijn wij een van de helden. Na verschillende campings afgegaan te zijn, stelde mijn vriendin Dionne voor om door te rijden naar Vaison la Romaine: dan zaten we alweer een stukje dichter bij de zuidkust en bovendien lag daar de Mont Ventoux, waar ik dan tegenop kon fietsen. Morrend stemde ik in, de Mont Ventoux was me inderdaad ook wel een beetje bekend, dat was toch die berg waar Simpson het leven had gelaten ? Ook in Vaison was het, onbegrijpelijk eigenlijk, beredruk waardoor we uiteindelijk op een nette camping in Carpentras terecht kwamen. Vanuit deze plaats kon je de top al duidelijk zien liggen. Ik schatte dat het zo´n 30 kilometer moest zijn tot aan de top. De volgende dag rond 19.00 u pakte ik mijn fiets en reed ik vanuit Carpentras richting berg. Al snel bleek dat het toch wel verder was dan ik gedacht had en na ongeveer 20 kilometer in het plaatsje Bedoin keerde ik boven bij een pleintje om. Ik voelde de priemende blikken vanaf de terrasjes: jij bent er niet geweest, jij kwam net nog van beneden. Over het vals plat ging het wel lekker terug. De volgende dag ga ik het dan wel doen. Het is mooi zonnig weer en rond 9.30u vertrek ik met mijn 2 bidons gevuld met water en de valhelm aan het stuur. "Hoe laat ben je terug?", vraagt Dionne. "Ik denk rond een uur of 2", antwoord ik, hoewel ik geen flauw idee heb van wat me te wachten staat. Bij de afslag met de bordjes Mont Ventoux Nord en Sud kies ik dit keer voor links af richting Nord. Mijn gevoel zegt me dat dat de Simpson-zijde is en dat ik, als ik steenkapot kom te zitten dan in elk geval het vals plat terug naar Carpentas zal hebben. De bordjes Mont Ventoux volgend haal ik een joelende menigte schoolkinderen op de fiets in: "Allez allez, Jalabert !". Het gerucht gaat dat Jalabert naar Rabo zal gaan. Ik doe een trap extra om ze niet teleur te stellen. Na een stuk lichtjes geklommen te hebben en weer gedaald kom ik bij een klein plaatsje, Malaucène, alwaar de bordjes wijzen tussen twee huizen door naar boven. Hier moet het wel echt beginnen. Het gaat redelijk steil omhoog maar niet schrikbarend, ik heb 5 1/2 jaar in Zuid Limburg gewoond en dit is nog lang geen Keutenberg! Met een kleine 18 km/u op de klok en nog twee versnellingen over, passeer ik een groep van drie Nederlanders, wat je meestal ziet aan de gesponsorde shirtjes. Vol goede moed vraag ik of het nog steiler wordt. De nestor van het drietal zegt: "Nog een stuk steiler!", terwijl hij een ervarenheid uitstraalt die zegt: "Ik weet waarmee ik bezig ben, jou zie ik nog wel langs de kant". Het gaat lekker op mijn blauwe Speeder met huis-tuin-en-keuken-pignon en nog ouderwetse toe-clips in combinatie met gedateerde Diavolo race-schoenen. De techniek van Joop en die ging er ook hard mee. Ik heb 52-42 en achter 13-15-17-19-21-23-26. Al snel wordt het inderdaad steiler en moest ik naar de 23. Ik neem me voor om niet te gauw naar de 26 te gaan. De 26 is voor watjes. De snelheid loopt terug naar rond 12 km/u. Waarom ook niet? Hij zit er toch op? 26. Na een paar kilometer speert de eerste van het drietal me voorbij. Dit is een echte renner met topmateriaal, cadans en afgetrainde klimmerskuiten. Waarschijnlijk uit gezelligheidsoverwegingen bij het groepje gebleven in het begin. Nog wat later rijdt de tweede van het groepje me minder snel voorbij. Heeft er waarschijnlijk een jaar speciaal voor getraind. Logisch. De paaljes vertellen me wat de hoogte is en hoe ver het nog is naar Mont Ventoux. Nog 16 kilometer. Ik begin te twijfelen. Voor me een Nederlandse jongen, petje op, op een oude mountainbike met een petfles water in zijn bidon-houder, tennisbroek en joggingschoenen aan. Hoog beentempo met z´n triple voor. "Is Mont Ventoux misschien niet een klein plaatsje op 12 km na de top ?" vraag ik. "Nee, die afstand op de paaltjes is toch echt de afstand naar de top". Ik begin langzaam te beseffen dat dit gewoon onmogelijk is en abnormaal bovendien. Samen rijden we op en ik verontschuldig me door te zeggen dat dit de eerste keer is dat ik een echte berg beklim en dat ik geen goed bergverzet heb op mijn fiets. De moed zakt me in de pedalen en een paar honderd meter verder wil ik omdraaien. Ik snap er niks meer van. Ik fiets toch regelmatig en zo´n manneke in zijn vrijetijdskloffie met aftandse mountainbike rijdt me eraf. Een illusie armer. Maar misschien is hij zo´n super tennistalent bij wie de kracht aangeboren is. "Kom op, doorgaan, laat zien dat we echte Hollanders zijn!" roept hij, maar ik laat hem gaan en stop in de berm. Terwijl ik bijkom en een slok uit mijn bidon neem zie ik links in mijn ooghoeken de nestor van het groepje krakend naar boven sluipen. Hij rijdt me zonder te kijken voorbij en ik zie aan zijn blik dat hij maar een doel heeft vandaag: boven komen zonder afstappen. Mij zal dat niet meer lukken. De eerste slag heeft-ie gewonnen. Ik bedenk me dat als ik terug ga ook nog een heel eind moet, dus besluit ik om door te gaan. Als ik eenmaal op de top ben heb ik alleen nog afdaling en het vals plat naar beneden. Die paar minuten rust hebben me goed gedaan. Het gaat weer redelijk en zonder te groeten haal ik "nestor" in. De paaltjes zijn mijn houvast. Weer 55 meter gestegen. Na een rechterbocht kijk ik rechts naar beneden. Ongelofelijk! Wat een formidabel uitzicht, en wat ben ik al een eind gestegen sinds mijn eerste stop. Dit geeft moed. Na een tijdje zie ik de tennisser staan, klooiend aan zijn achterwiel. Ik kan nog makkelijk door, maar ik stop om te helpen. Goddank heeft hij niet veel verder omhoog pech. Ik mag stoppen! De derailleur is in het achterwiel geslagen en alles zit vast. We halen de boel uit de knoop en ik geef hem de tip om het derailleurschroefje wat aan te draaien zodat de derailleur niet verder kan, hoe hard je ook aan je kabel trekt. Dat wist hij nog niet. Natuurlijk niet, hij is een tennisser, erg genoeg. Nestor is me intussen weer voorbij gegaan. Ik stap weer op en laat de tennisser nu voorgoed achter me. Zelfs Nestor kruip ik weer voorbij! Zo dramatisch is het eigenlijk nog niet met dat wielrennen van mij. Met een beetje meer training zou het nog best wat kunnen worden. Van der Poel was ook al bijna 40 toen ie wereldkampioen veldrijden werd. Even later kom ik langs een vriendelijke, ietwat gezette Nederlandse mountainbiker met sandalen aan zijn voeten! We rijden even samen en hij vertelt dat zijn vriendin boven staat te wachten met de auto. We zien mensen in regenjassen ons blij aanmoedigend naar beneden suizen en hij zegt dat zijn vriendin, naast een regenjas voor hem, wel wat kranten bij zich zal hebben die hij me aanbiedt voor straks in de afdaling. Ik vertel hem dat ik zelf al kranten mee heb genomen, doorweekt van het zweet zitten ze achter in mijn wielertrui. Na een tijdje is de pijp toch weer leeg en moet ik Sandaal laten gaan op het steile "vlakke" asfaltstuk. Zal het nog ooit iets worden met mijn carrière? Weer langs de kant, rustend met mijn achterste op de bovenbuis komt Nestor me zwalkend voorbij. Hij is nog vol in de race. Tennisser heb ik voorgoed achter me gelaten. Ik hoop dat hij geen materiaalpech heeft, dat het niet vanwege materiaalpech is. Als ik na een paar minuten weer onderweg ben haal ik eerst de rustende Sandaal en ook Nestor weer in. Het begint fris te worden, de zon is weg en er drijven flarden van wolken over het parcours. Een stuk verderop rijd ik een jonge man en vrouw voorbij, Australiërs denk ik. Ze staan langs de weg te drinken. Even later halen ze mij in. Ik snap niet dat ik ze niet eerder heb gezien vandaag, ze zijn immers een stukje sneller. Het is nog kouder geworden en ik ga naar links om mijn fiets achter de vangrail in een bocht te parkeren en voor de laatste keer uit te rusten. Ik ben toch al eerder gestopt en wil niet uitgeput boven aankomen. Terwijl ik een slok water neem zie ik Nestor de bocht doorgaan. Hij ruikt de top en gaat een stuk beter. Het gaat hem lukken. Hem zal ik niet meer terugzien. Na een paar kilometers zie ik het huisje op de top al duidelijk liggen. Waar blijft dat Simpson monument nou? Het is wel steeds kouder en plotseling slaat de kou op mijn benen. Kramp in mijn bovenbenen achter! Moet ik er alweer af, shit! Na enig rek- en strekwerk tegen de bergwand ga ik nu wel door. De laatste rechte naar boven is de vermoeidheid weg. Joehoe! Ik ben er met mijn stalen Giant Speeder van 11 kg. Boven staat het vol mensen, velen ook met racefiets. Toch voel ik me een unieke held. Na een blikje cola, godverdegodver..ook helden betalen hier 5 gulden voor in het winkeltje, breng ik de kranten aan onder mijn shirt en doe ik mijn helm op. Ik ga de lange afdaling in. Dit heb ik verdiend. Heerlijk! Enkele kilometers onder de top, nog op het onbegroeide gedeelte, zie ik het monument van Simpson, waar ik even stop. Vooral Nederlanders hebben het overladen met spullen, afgemeten aan de beletterde, overwegend Brabantse shirtjes die om de steen gedrapeerd zijn. Ik zie zelfs een voorblad liggen met een heel stuk er uit en bedenk me dat dit niet het soort kettingwiel met weinig tandjes is waarmee je makkelijker boven komt. Al in de afdaling wordt het "Dit was leuk, maar nooit meer" overstemd door "Je had niet de Simpsonzijde en je bent gestopt onderweg, schande". Ik neem me voor om dit over enkele dagen recht te zetten. Prachtig is het om iedereen naar boven te zien ploeteren terwijl jij zelfs de auto´s het nakijken geeft. Als een semi-held kom ik terug op de camping. Twee dagen later doe ik een nieuwe poging. Dionne maakt nog snel een foto "voor", om na terugkomst een foto "na" te maken. In mijn oranje Rabobank-shirt moet ik me door het jaarlijkse wijnfeest in Bedoin wurmen, maar dan kan het ook beginnen. Het is al 11.30u en warm, maar ik weet wel waaraan ik begin nu. Al snel haal ik een van goed materiaal voorziene, prima gesoigneerde, al wat oudere Fransman in. Bijna verontschuldigend zegt hij "Dur, eh" tegen me. Ik knik instemmend en vermoed dat dit zijn eerste keer is. Even verder, in het bos nog steeds, ga ik twee man voorbij van wie de een de ander uitlegt hoe makkelijk het allemaal is als je het goed aanpakt. De ander zal me later nog voorbij gaan. Een auto scheurt me voorbij en kinderen roepen: Hup Dekker! Ik verbaas me erover dat ze niet aan Boogerd denken bij een klimmende Rabo en besef tegelijkertijd dat die Dekker het toch wel gemaakt heeft ineens. Niks is onmogelijk. Na nog een corpulente vader die uiteindelijk zijn mountainbike in de auto zet van zijn achtervolgend gezin en waarschijnlijk beschaamd zijn weg vervolgt, sta ik er alleen voor, samen met de ontelbare vliegen die stukjes proberen mee te liften. Af en toe mep ik er een van mijn kuiten of voorhoofd af, de last van de stijgende weg overstemt de irritatie van de vliegen met gemak. De 26 staat al lang op want ik heb vandaag een missie: pas afstappen op de top. Eenzaam ga ik door, af en toe aangemoedigd door de dalers met hun regenjasjes en gelukzalige blikken. Hoewel het redelijk goed gaat begint het toch zwaar te worden. Vooral als ik het bos uitkom, begint het menens te worden. De zon heeft nu vrij spel op mijn kruin en ik heb geen petje meegenomen. Ver voor me rijdt een mountainbiker. Hoewel het nu nog maar rond de 6 kilometer is, is het onvoorstelbaar hoe langzaam de meters gaan en hoe snel de vermoeidheid. Ik maal maar door op het veel te grote verzet en denk er enkele keren serieus over na om te capituleren en even te stoppen. Telkens, na een schandalig langzaam stukje van soms wel 7 km/u, hervind ik de kracht om door te gaan. Op het zicht moet ik nog maar een klein eindje. Voor me zie ik de mountainbiker zijn voeten aan de grond zetten. Ik voel even met hem mee. Mij zal dit niet gebeuren! Bij de grote vlakke bocht van Chalet Reynard kan ik even bijkomen. Vriendelijke Fransen moedigen me aan. De dalende Hollanders schreeuwen nu behalve "kom op!" ook "nog maar een klein stukje!". In kilometers is het al lang niet ver meer, maar dat steunt me nauwelijks nog. Steeds reken ik de aangegeven afstand op de paaltjes samen met de indicatie van mijn snelheidsmeter om in de tijd die ik nog te gaan heb. Dit geeft even moraal, maar na een tijdje ook niet meer. Het beste is om maar een trap, hooguit twee trappen vooruit te denken. En dan moed putten uit het feit dat ze dubbel hebben gewerkt: Ze liggen niet meer voor je, maar achter je. Het monument van Simpson is ook even een afleiding geweest. Gelukkig was ik twee dagen eerder al gestopt, nu mag het niet. Pas in de laatste 500 meter begin ik me te realiseren dat ik het ga halen! De zon brandt maar kan me niet meer tegenhouden. Ik neem me voor om er rustig van te gaan genieten op de top. Voor de laatste haarspeld heb ik nog een versnelling in petto en als een kampioen kom ik boven. Nonchalant kijk ik rond alsof het een regulier trainingsritje betrof. Nu echt gehaald, zonder afstappen! Ik koop een fles bronwater om mijn bidons te vullen en weer zo´n schandalig duur blikje cola. Bij de kraampjes op de top trakteer ik mezelf op een zak echte Ventoux-koekjes. Zijn nog lekker ook, dus nog een tweede zak. Mijn fiets staat tegen het muurtje voor de afgrond en een mevrouw vraagt lachend of de fiets met haar mee op de foto mag. Zij heeft het begrepen. Haar man of vriend informeert hoe ik gekomen ben. Als ik zeg via Bedoin knikt hij instemmend en zegt: "De wedstrijdzijde. die heb ik pas ook gedaan, da´s de zwaarste". Als een ervaren bergklimrot vertel ik dat ik een paar dagen eerder via Malaucène gekomen ben en dat ik dat toch wel zwaarder vond. Hij concludeert dat Bedoin lichter aangevoeld moet hebben vanwege de voorafgaande training via Malaucène. Ik lach en vind het best. Welke ook zwaarder is, ik heb ze alle twee gehad en zonder stoppen is me ook gelukt. Ik geniet nog even na in de zon en neem me voor ook nog even terloops mijn snelheidsrecord op de fiets te gaan vestigen op het mooi geplaveide steile stuk richting Malaucène. Als een speer vlieg ik omlaag en ga vol door de bocht voor het lange rechte stuk om mijn eindsnelheid zo hoog mogelijk te krijgen. Met mijn neus op het stuur ga ik pas op het laatste ogenblik met 88 km/u in de remmen. De blokken voelen net voor de bocht aan als boter. Yes!, weer een record. Verbeterd met maar liefst 15 km/u! Op de Brakkeberg richting Houthem kwam ik gek genoeg elke keer weer op 73 uit voordat ik in de remmen ging om niet met twee gebroken benen en prikkeldraad om mijn middel in de Geul te belanden. Terug op de camping plof ik in de klapstoel, de terugweg was via deze route toch wel wat zwaarder. Ik probeer uitgeput te kijken wanneer Dionne een foto van me maakt, wat achteraf wel gelukt blijkt. Nog dagen later heb ik last van mijn benen. Doordat de spieren helemaal gezwollen zijn (misschien wel door het aansluitende wijnproeven in Bedoin), schaven mijn binnenbenen langs elkaar tijdens het lopen. Ze herinneren me steeds aan de eerste echte berg die ik bedwongen heb. Pas thuisgekomen, nadat ik hem opgezocht heb op het internet, kom ik er achter dat ik de Berg der Bergen beklommen heb. Steiler en langer dan de Alpe d´Huez. Pas enkele keren opgenomen in de Tour omdat het gekkenwerk is. De Mont Ventoux is voor mij een mooie herinnering geworden en ik kan iedere fietser die een beetje sportief is aanraden om het zelf mee te maken. Frank Harperink Eindhoven |