Bier,
kaas, wijn, afzien en zadelpijn
Dit
is bijna een traditie: indien het weer in de Alpen omslaat, en dat doet
het altijd in september, wordt er uitgeweken naar de Provence, naar
omgeving Mont Ventoux, wel te verstaan.
De Waaiberg, letterlijk. De Provence staat bekend om zijn mistral, de
harde wind die vanuit het noorden door de trechter tussen Alpen en het
Centraal massief wordt geperst. En daar is geen woord teveel van gezegd.
Malaucène,
een stadje aan de voet van de berg der bergen, ontpopte zichaan het
eind van de dag als het reisdoel. Omdat iedereen er blijkbaar
verschillende ideeën op nahoudt over wat een fatsoenlijke
camping inhoudt werd uiteindelijk de voorkeur gegeven aan een echt dak
boven het hoofd. Misschien ook omdat het zo hard waaide.
De volgende dag waaide het nog steeds zo hard dat je bijna van je fiets
werd afgeblazen. Te gevaarlijk om naar negentienhonderd meter te
klimmen, vonden we. We besloten een tochtje in de omgeving te maken en
te kijken of het de volgende dag wat minder waaide. Gelukkig wel.
Dus de volgende dag werd eindelijk begonnen aan de klim der klims, de
berg der bergen, de scherprechter van alle wielrenners. Aan
eigenwijsheid heeft het me nooit ontbroken. Omdat Malaucène
direct aan de voet van de noordelijke beklimming van de Ventoux ligt
besloot ik de in mijn ogen overbodige rit naar Bedouín - het
startpunt van dezuidelijke en meest beruchte beklimming via het
gevreesde bos - te latenvoor wat hij was en meteen in de pedalen te
gaan.
Ja, ik weet het: ik heb de mietjeskant beklommen. Vraag me niet waarom
het de mietjeskant is. Om het verschil in starthoogte gaat het niet.
Malaucène ligt op 340 meter hoogte en Bedouín op
driehonderd meter hoogte. Om het verschil in het aantal te klimmen
kilometers gaat het ook niet, want die is voor zowel noord als zuid
gelijk.
Noord begint vrijwel meteen rond de twaalf procent en houdt dat
zo'ndrie kilometer vol waarna het wat vlakker wordt (zo'n 7%, maar dat
is dan een verademing).
Zuid begint in Bedouín met een zes kilometer lang stuk over
vals plat. Pas na een bocht links wordt het steil om niet meer af te
laten.
Pas na het
naaldbos - een klimaatverschil met de zuidkant waar typische Provence
bomen groeien - begon de tegenwind een rol te spelen.
Een veelbelangrijker rol speelde mijn hoogtevrees, een ietwat lastige
eigenschap als je graag in de bergen fietst. De laatste twee
á drie kilometer kom je terecht in het beroemde
'maandlandschap' van de Ventoux.
De hellingen naast de weg vallen steil naar beneden.
Uiteindelijk heb ik sneller de top bereikt dan ik ooit voor mogelijk
had gehouden. Ongeveer twee uur (tja, mietjeskant hè?,
pffft). Niet slecht voor een roker, zoals ik altijd tegen mijn
fietscompanen roep. Ik was niet eens moe. In ieder geval niet zo moe
als na de beklimming van de Croix de Fêr een paar dagen
ervoor.
Ik heb niet lang op mijn fietsvrienden hoeven wachten die van de andere
kant af de berg opkwamen. Als eerste vriend Daniël, gevolgd
door Rémy mijn tweelingbroer, en tenslotte oud-collega
Ernst-Jan. De foto laat ons zien in vol ornaat. Met vol bedoel ik ook
de snel aangetrokken jackjes en tights, want het was er berekoud.
Wat rest me nog te zeggen dan dat ik het ook nu weer heb klaargespeeld
mijn reputatie van de 'Man die sneller stijgt dan daalt' hoog te
houden. Het eerste stuk naar beneden heb ik gelopen. De afgronden waren
mij iets te steil om zomaar leuk op mijn fietsie te springen met alle
duizelingen van de hoogtevrees.
De verloren tijd heb ik nooit meer weten goed te maken, zodat mijn
gemiddelde omhoog sneller was dan naar beneden, haha! Wie kan me dat
nazeggen?
Volgende keer doe ik de zuidhelling, en die volgende keer zou wel eens
volgend jaar kunnen zijn.
Van links naar rechts staan op de foto:
Daniel Schipper (1:48); ondergetekende Rick Vermunt (2:00), mijn broer
Rémy Vermunt (1:55 heeft in maart vorig jaar zelf een
verslag ingediend - Verslag 26 ) en Ernst-Jan
Braakman (2:00)
Rick Vermunt
Amsterdam