Verslag (39)  1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42  43  44  45  46  47  48  49  50  51  52  53  54  55  56  57  58  59  60  61  62  63  64  65  66  67  68  69  70  71  72  73  74  75  76  77  78  79  80  81  82  83  84  85  86  87  88  89  90  91  92  93  94  95  96  97  98  99  100  101  102  103  104  105  106  107  108  109  110  111  112  113  114  115  116  117  118  119  120  121  122  123  124  125  126  127  128  129  130  131  132  133  134  135  136  137  138  139  140  141  142  143  144  145  146  147  148  149  150  151  152  153  Alfabetische index


 13 augustus 2004

Wel malloot, geen slaaf

Na een winter trainen op ijsbaan Triavium in Nijmegen en met 3000 fietskilometers in de benen is het dan zover: onze fietsvakantie in Zuid-Frankrijk kan beginnen. Het doel van dit jaar: de Mont Ventoux vier keer op één dag beklimmen, nadat vorig jaar drie keer gelukt is.
Om 05.00 uur haal ik mijn fietsmaat Willem Janssen Steenberg op om aan de 1150 kilometer naar het zuiden te beginnen. Voor velen van ons is dit de bekende route naar de zon.
Om 17.10 uur komen we aan op aire naturelle de camping les Oliviers in Bedoin aan de voet van de Mont Ventoux. Zoals elk jaar staat hier een aantal Nederlandse vutters die hier in het voorjaar zo’n zeven weken vakantie doorbrengen.
Nadat we het kampement hebben opgezet, stappen we weer in de auto om even naar de top van de Mont Ventoux te rijden. Beiden beginnen we weer de spanning voor de volgende dag te voelen.

Maandag 1 juni 04.00 uur gaat de wekker. Ik heb goed geslapen. Aankleden, een berg eten laden, verlichting aan en vertrekken. Vanaf de camping naar Bedoin is het ongeveer drie kilometer. Het is fantastisch een keer vóór zonsopkomst te vertrekken en het silhouet van de Ventoux in het donker te zien. In de verte zie je het rode lichtje van het Observatoire boven op de berg. Daar ligt ons doel!
In het dorp bij de rotonde schudden we elkaar de hand en wensen elkaar veel succes.
De eerste zeven kilometer tot St.-Estève zijn niet al te steil en fietsen we gezamenlijk op. Na St.-Estève wordt het pas ècht steil en is het beter je eigen tempo te rijden. Willem is negen jaar ouder dan ik en klimt iets langzamer, maar hij doet het toch maar! We spreken af om de vijf kilometer op elkaar te wachten en elkaar niet uit het oog te verliezen voor het geval er iets mis mocht gaan.
Na één kilometer begin ik mijn ritme te krijgen. Mijn hartslag ligt constant rond de 150 slagen per minuut en daar voel ik me goed bij. Na vijf kilometer stop ik. We hebben er 12 van de 21 gehad. Ik wacht op mijn maat. Ook hij gaat goed. Zoals altijd zweet hij alsof hij in een regenbui heeft gestaan.
De volgende stop is bij Le Chalet Reynard. Hier verlaat je het bos en ga je het maanlandschap in voor de laatste zes kilometer naar de top. Er staat een stevige wind. Ik merk dat ik flink moet trappen. Er zijn stukken bij waar mijn hartslag oploopt naar 158. Langzaam maar zeker komt de witte toren van het Observatoire dichterbij en na tweeëneenhalf uur zijn we voor de eerste keer boven. Willem legt de toppositie van DP in de Provence voorgoed vast: 1912 m! Stempel halen in het winkeltje en een half uur afdalen… lekker kicken!
De tweede klim is vanuit Malaucène. De Mont Ventoux vanaf deze kant beklimmen vind ik minder mooi. Pas op het laatste moment, vier kilometer voor de top, kun je de witte toren zien. Er is weinig schaduw en er is een stuk van drie kilometer bij van 11%. Ik klim met een snelheid van zeven kilometer per uur en een hartslag van 160, zo steil is het. Maar ook nu weten we de top binnen de gestelde tijd te halen. We verwachten immers om 21.00 uur voor de vierde keer boven te zijn…
De afdaling naar Bedoin, ongeveer 25 minuten, is zo fantastisch. Je kunt goed voor je uitkijken en mijn teller geeft regelmatig rond de 85 kilometer per uur aan.
Om 12.00 uur zijn we beneden. We draaien om met de bedoeling via de bosroute naar de top te gaan. De eerste negen kilometer zijn hetzelfde als in de eerste klim. Dan ga je linksaf het bos in. Bij St.-Estève geeft Willem aan dat zijn hartslag nu al 160 is en hij het niet verantwoord vindt door te gaan. We moeten immers nog 14 kilometer en nog een vierde keer vanuit Sault. Omdat we het thuisfront hebben beloofd geen risico’s te nemen, besluiten we gezamenlijk te stoppen. Het is niet anders en we hoeven ons brood er niet mee te verdienen. Tot overmaat van ramp rijd ik door een kuil en breekt er een spaak van mijn achterwiel. Het is dus duidelijk: stoppen!

De tweede en derde dag zijn we wel weer één keer per dag naar boven gefietst. De laatste dag, de vierde, wilde ik de DP-bidon achterlaten bij het monument van een groot wielrenner en sportman, Tom Simpson. Hij heeft zich in de Tour de France van 1967 op de Mont Ventoux letterlijk dood gefietst.  De mistral, met windsnelheden van boven de 100 kilometer per uur, verhinderde dat echter. Het was door het bos nog wel te doen, maar in het totaal open landschap voorbij Le Chalet Reynard met zijn steile, niet afgeschermde hellingen, was het te gevaarlijk en we zijn dan ook niet verdergegaan.

Wil je meer weten over de Mont Ventoux, lees dan het boek De kale berg - Op en over de Mont Ventoux. Mijn fietsmaat Willem Janssen Steenberg is mede-auteur van dit prachtige boek. Onlangs is de derde druk verschenen. Ook kun je de Nederlandstalige website over de Ventoux bezoeken: www.dekaleberg.nl

Karel Kleijn

N.B. Dit verslag is oorspronkelijk geschreven t.b.v. het personeelsblad van Duijvelaar Pompen in Alphen a/d Rijn.


 6 juli 2003

Cinglé!

06.00: reveille. Toilet maken en ontbijten. We gunnen ons geen tijd voor koffie. We smeren ons dik in met factor 28, want het belooft heet te worden vandaag.
Vertrek om 07.00. Je zou denken dat "les Oliviers" op dit uur nog in diepe rust is gehuld, maar aan alle kanten steken matineuze landgenoten hun warrige hoofden uit caravans en tenten; eentje komt er zelfs al met een volle afwasbak aansjokken.
We hebben er ter voorbereiding ruim 3500 Nederlandse kilometers op zitten, we hebben in het Reichswald e.o. de nodige klimkilometers verwerkt en toch valt het niet mee met de nog koude spieren het steile heuveltje naar de weg op te komen. Maar goed, als dit het ergste is…
Om warm te draaien rijden we eerst 'de verkeerde kant op', naar de top van de col de la Madeleine. Boven keren we om. In Bedoin halen we een stempel bij Jan en Marcel Lemmens van Portail de l'Olivier.

07.45: Op de streep klikken we de pedalen vast. We zijn beladen met eten en drinken: müslirepen, pannenkoekentaart, minimarsjes, zakjes energy-limonadepoeder, een bidon met Karvan Cévitam en een met water. Om het sportieve beeld compleet te maken hebben we met plakband een banaan op de zitbuis bevestigd.
We rijden heel rustig tot Saint-Estève, waar Karel aan zijn eigen rit begint. Meestal krijg ik een kilometer of twee na "de bocht" een kapitale inzinking, maar die blijft ditmaal uit. Ik peddel rustig door, in afwachting van de plek waar Karel op me wacht. De eerste stop valt een kleine kilometer voor maison Jamet. We voelen ons prima. We spreken af om de 5 km een korte stop te houden. Op die manier rusten we natuurlijk regelmatig, maar de stops zijn eigenlijk vooral bedoeld om voeling met elkaar te houden; je weet maar nooit wat er op zo'n dag gebeurt.
De tweede pauze valt vlak voor de vakantiechalets. Tijdens elke pauze - voor mij ongeveer drie minuten, voor Karel dus wat langer - eten en drinken we. Met name de Isostar-müslirepen bevallen buitengewoon: ze zijn lekker, voedzaam en we krijgen ze de hele dag gemakkelijk weg. Hetzelfde geldt voor de stukken pannenkoekentaart. Het eerste slachtoffer van de verzorging van de inwendige mens is echter de banaan: die druipt al snel uit zijn schil - geen goed idee dus, als het erg warm is.
We houden een heel gematigd tempo aan. De weg is lang, de dag gelukkig ook en we hebben ons voorgenomen ons niet te haasten, maar de hele dag te benutten. We laten ons daarbij leiden door de hartslagmeter. Ik houd mijn hfr. tussen de 148 en 152 - een enkele uitschieter daargelaten.
In de pauze bij chalet Reynard bespreken we de stand van zaken. Alles verloopt naar wens: de vermoeidheid mag (nog) geen naam hebben en de omstandigheden zijn voortreffelijk: de temperatuur is aangenaam en er staat nauwelijks of geen wind. Kortom, de vooruitzichten zijn uitstekend.
Het water dat de pomp bij chalet Reynard afscheidt, lijkt ondergronds eerst door een nest gemartelde en dientengevolge vroegtijdig gestorven muizen te zijn geleid, zo afgrijselijk smaakt het. Tot onze grote vreugde sijpelt er echter een paar kilometer verder uit het buisje van de Fontaine de la Grave een straaltje uitermate smakelijk ijskoud water. We drinken ervan en vullen de bidons. Zonder problemen gaan we verder naar de top. Aankomst 10.38.
Korte pauze. We halen een stempel in het winkeltje. Het is lekker weer boven: ongeveer 16°, enige wind. In een klein half uur zijn we vervolgens beneden.

Malaucène. Halfuur pauze. Stempel halen bij Michel Jerôme van fietsenwinkel ACScycles. Een praatje met enkele Nederlandse renners. Eén van hen vraagt nota bene waar onze volgende beklimming begint… "In Sault natuurlijk!", grinnikt één van zijn makkers.
Tweede start om 11.34.
De klim naar de top verloopt moeizaam. In het allereerste begin heb ik enkele schakelproblemen die Karel oplost. Opnieuw pauzeren we om de 5 km. De toenemende hitte vergt erg veel van onze krachten, zeg maar gerust dat hij ons ongemerkt sloopt - later horen we van Willy Reuvis dat het in de middaguren 34°C was. Onderweg is nergens schaduw te bekennen. Op een gegeven moment krijg ik kippenvel op mijn armen en op twee plaatsen doet mijn achterhoofd behoorlijk zeer; ik ben toch wel een beetje bang voor een opkomende zonnesteek. Gelukkig weet ik chalet Liotard niet ver. Steeds kleine beetjes water over mijn hoofd en nek. De helm zit stevig aan het stuur gebonden; in die hitte kan ik dat ding tijdens de klim trouwens toch absoluut niet velen. Volgende keer per se voor de een of andere hoofdbedekking zorgen.
Ik kom er nu ook achter waar het stuk ligt waarop volgens Fiets 100 km/u mogelijk is. De laatste drie km (ongeveer) vóór Mont Serein - in de klim wel te verstaan! - zijn tussen de 10.2 en 10.9 procent… Leuk, stimulerend, die kilometerpalen langs de weg!
Bij aankomst bij chalet Liotard blijkt Karel niet lekker. Tot de sanitaire stop enkele kilometers voor Liotard is alles naar wens verlopen, maar kort na die pauze heeft hij indringend bezoek gekregen van de man met de hamer: hij voelt zich uitgewoond, kan niet eten en heeft hoofdpijn. Ik ben ook niet bepaald 100% meer, maar voel me toch wat minder geradbraakt dan mijn kompaan. Ik koop twee flessen water "pour emporter": Evian, 2 euro per fles van anderhalve liter, wel ijskoud. Een müslireep, een stukje pannenkoekentaart, een minimarsje en ongetwijfeld de rust doen wonderen. Na een klein half uur pauze gaan we verder, redelijk opgeknapt.
Zonder verdere problemen staan we om 15.32 op de top. Stempelen hoeft niet, dus na een korte pauze (eten en drinken) stappen we weer op. Drie kwartier later zijn we in Sault. Op het eind van de afdaling, bij het binnenrijden van het stadje, doen we de helm toch maar af; het ding is niet meer te harden, zo valt de hitte op ons neer.

We zoeken ons gek naar een supermarché om bijvoeding in de vorm van marsen te kopen. Als ik bij een school een onderwijzeres de weg vraag, rand ik de schoonheid aan, doordat ik mijn voet niet uit de klip krijg, dreig te vallen en haar in een reflex bij de schouder grijp. Een aanwezige vader blijkt gelukkig ook wielrenner; hij schiet in de lach en legt haar in twee woorden uit wat er gebeurt als het even niet wil met die "automatische pedalen." Ik excuseer me natuurlijk uitgebreid, maar ze maakt er verder gelukkig geen woord aan vuil en is alweer met iets anders bezig.
De supermarché levert wel een paar grote marsen, maar weigert een stempel. Dus halen we de door mr Pic gevraagde autorisatie bij het office de tourisme -  d.w.z.: Karel doet dat; hij volvoert deze taak de hele dag met grote zorgvuldigheid. De juf achter de balie is de vraag om een "tampon" wel gewend, want als ze Karel ziet binnenkomen, onderbreekt ze haar telefoongesprek niet, heft een hand en ploft de stempel al ratelend tegen haar gesprekspartner op de gewenste plek.
Voor de deur spreken we nog een jonge gast uit Margraten die bezig blijkt met de Galérien; hij zal de derde Nederlander worden met deze eretitel. Ik vergeet hem te vragen een verslagje naar dekaleberg.nl te sturen, maar Erwin Deckers zal zich later in een discussie via het prikbord op de site melden en zo komt alles toch nog goed (zie verslag 109).

Uiteindelijk vertrekken we om 17.00 precies uit Sault. Dat is volgens mijn schattingen aan de late kant; ik reken op ruim drie uur naar de top. Karel denkt datHet bewijs... we aanzienlijk sneller zullen zijn. We besluiten om de drie km te pauzeren. Karel rijdt een stuk met me op, maar als we het bos bereiken, peddelt hij weg.
Langzaam maar zeker sluipt de vermoeidheid mijn lichaam in. Ik begin met aftellen: nog tien km naar chalet Reynard en nog zestien naar de top. Nog zeven naar chalet Reynard en nog dertien naar de top. Nog vier naar chalet… Enzovoort. Dat betekent dat de kilometers langer en langer lijken te worden en dat ik dus aan het eind van mijn latijn raak…
Bij chalet Reynard besluiten we de rest van de tocht na elke bocht te pauzeren. Soms zie ik Karel 80 meter voor me over zijn fiets gebogen staan wachten, maar kan ik hem niet bereiken, omdat ik domweg te moe ben: ik moet stoppen en even rusten. Als ik weer opstap, lijk ik iedere keer weer nieuwe krachten te hebben aangeboord, maar dat duurt steeds maar even; het is net of een uitgeputte accu telkens een heel klein pietsie opgeladen wordt en dus direct weer de geest geeft als hij aangesproken wordt. De laatste kilometers zijn een ware martelgang. Ik krijg mijn hartslag niet meer boven de 129, wat betekent dat ik absoluut geen macht meer heb, dat ik vrijwel totaal krachteloos ben. Maar ik heb het Observatoire in zicht en weet dat ik daar komen zal.
Het duurt lang en het gaat buitengewoon moeizaam, maar om 20.09 gaan we zij aan zij over de streep: het ergste zit erop. Mijn schatting dat we drie uur over de klim zouden doen, blijkt akelig accuraat te zijn geweest.

Het is niet erg warm daarboven, er is geen kip om ons bewonderend aan te staren, dus gaan we vrijwel direct naar beneden. Ik ben vooraf ietwat benauwd voor de coördinatie en de reflexen na zo'n inspannende dag en dus heel erg op mijn hoede, maar ik voel me tijdens de afdaling uiterst geconcentreerd. Desgevraagd bevestigt Karel achteraf dat de techniek er uitstekend uitzag. De maximale snelheid bedraagt tijdens deze afzink 84 km/u. Om 20.45 rijden we Bedoin binnen en is Nederland twee Cinglés rijker.

Enkele cijfers:

Gegeven

Willem

Karel

Totale dagafstand, inclusief inrijden

148.2

146.5

Aantal hoogtemeters, inclusief inrijden

+/-4385

+/-4385

Aantal klimkilometers, inclusief inrijden

+/-71.5

                                     +/-71.5

Maximumsnelheid

86.7

87.4

Gemiddelde snelheid over de totale dagafstand

14.0

14.8

Totale rijtijd

10 uur 35

9 uur 51

Odo na de Cinglé

3706.7

3656.0

Totale dagtijd camping- camping

13 uur 35.10

13 uur 35.08

Gemiddelde hartslag

139

125

Gebruikt aantal Kcal.

10.119

8.407

Percentage vet:

30%

40%

Vandaag gebruikte voeding:

ontbijt: 3 cadetjes + 1 punt pannenkoekentaart

onderweg:

1 grote mars

1 minimarsje

3 müslirepen

1 pakje sultana's

2 punten pannenkoekentaart

1 banaan

3 zakjes energiedrank

1 aspirientje

ontbijt: 4 cadetjes

onderweg:

2 grote marsen

2 minimarsjes

3 müslirepen

1 pakje sultana's

3 punten pannenkoekentaart

1 banaan

1 aspirientje

Drinken:

Ieder ongeveer 9 bidons van 3/4 liter: water, Evian (flessen plat water, gekocht bij chalet Liotard), water met Karvan Cévitam en bronwater (getapt bij Fontaine de la Grave)

's Avonds hebben we geen trek, wel dorst. Geen pijn in de benen, zitvlak of de rug. Wel moe en totaal leeg (“Dit nooit meer!”), maar niet gebroken. Goed geslapen en de volgende dag absoluut geen naweeën. Onbegrijpelijk, maar waar. Een dag niet fietsen, maar ontspannen wandelen in de Toulourenc en een lange autorondrit maken was wel een briljant idee. De dagen daarna weer stevig rondgefietst: col des Abeilles + Gorges de la Nesque en rond les Dentelles de Montmirail.

Voor de volgende keer…

--Per se voor een hoofdbedekking zorgen: petje of bandana.

--Meer Isostar-müslirepen meenemen: ook als we moe zijn, krijgen we die goed weg en

  blijven ze smaken.

--In elk geval één bidon alleen met water (en niet met limonade of zoiets) vullen om vingers

   e.d. mee te kunnen wassen en over hoofd en nek te kunnen sprenkelen.

--Ruim voldoende geld meenemen om water te kunnen kopen bij chalet Reynard, chalet

   Liotard en in Sault.

Willem Janssen Steenberg
, Heesch
56 jaar en daarmee de oudste Nederlandse Cinglé
mede-auteur van het boek 'De kale berg - op en over de Mont Ventoux'



   22 juli 2001

Dinsdag 29 mei 2001

"Wie de Ventoux overwint, overwint sinds 13 juli 1967 een beetje de dood."
Bert Wagendorp, de Volkskrant, 13 juli 2000.

We hadden gisteren al besloten dat we vroeg op pad zouden gaan, omdat de middagtemperaturen in de Provence niet bijster geschikt zijn voor zware sportactiviteiten. Welnu, om 07.00 steken we het hoofd buiten de tent. We trekken de fietskleding aan en vullen de bidons met alles wat maar kracht kan leveren. Ik stop bovendien vier minimarsjes en een pakje druivensuiker in het zadeltasje en een banaan en een zakje geconcentreerde voeding in de achterzak. Omdat we altijd dreigen te ontploffen als we in de hitte moeten klimmen met de helm op, binden we die op het stuur. De mijne dient tevens als bergplaats voor mijn jack.

Afgelopen zaterdag heb ik broodjes ingeslagen om te voorkomen dat we op de dag van de aanval eerst nog naar de bakker zouden moeten; het stokbrood komt morgen wel. We drinken water bij gebrek aan melk; voor koffie gunnen we ons geen tijd. Alletwee voelen we de spanning in ons lijf. Vandaag moet het gebeuren. Hiervoor hebben we al in januari regen, kou en wind getrotseerd. Hiervoor zijn we op rare uren de Maasdijk opgegaan en hebben we de dames alleen laten dineren. Hierover hebben we gepraat en hiervan hebben we gedroomd: vandaag moeten we in één keer de Mont Ventoux op.

Om 08.00 fietsen we de camping af en om 08.20 stoppen we bij het bordje dat het einde van de bebouwde kom van Bedoin aangeeft. We starten de diverse meters, wensen elkaar succes en daar gaat-ie dan: op naar de top! 21 kilometers van gemiddeld 7.7%, ruim 1600 hoogtemeters. "C'est un col qui fait peur", om met Tourdirecteur Leblanc te spreken. Ik voel de spanning in mijn buik.

Ieder gaat zijn eigen tempo aanhouden, dus Karel rijdt direct van me weg. Na een kleine kilometer, in de afslag naar Flassan, doemt recht voor me, hooghartig oplichtend in de ochtendzon, de top van le Mont Nu op. Daar moet ik dus heen.

Volgens de boekjes is de eerste vijf kilometer van de klim vals plat, maar mijn hfr. ligt hier al op 155. Dat is reden om gas terug te nemen. Ik ging overigens helemaal niet hard; de hartslag is ongetwijfeld door de spanning opgevoerd. Maar hoe je het ook wendt of keert, te hoog is te hoog. Ik heb me heilig voorgenomen me te houden aan de wijsheden die ik de afgelopen maanden heb opgedaan, dus besluit ik de rem aan te trekken. Ik schakel de 30/19 en verlies Karel uit het oog. Nergens is nog een levende ziel te bekennen, ik ben helemaal alleen. De zon brandt. Ik rijd 8 à 9 km/u.

In Sainte-Colombe, na ruim drie kilometer en pas op 455 m hoogte, vind ik het al zwaar worden. Ik vraag me af hoe dat verderop moet. In Saint-Estève draait de weg scherp naar links, een procent of 10 omhoog; ik moet naar de 30/21. De tpm. is aan de lage kant, ergens in de buurt van de 50, maar ik kan deze versnelling goed rond krijgen. Ik beloof mezelf dat ik op km 10 naar de 30/23 mag.

Na 5.3 kilometer staat op de weg: "Knalle Kees." Knalle Kees. Ik had liever "Wup Willem" gezien. Of "Danse Janssen". Een kleine twee kilometer verder meldt de gemeente op een groot bord dat de col ouvert is. Zijn we tenminste niet voor niets hierheen gekomen. Weer twee kilometer verder, bij het kantonnierhuisje, lees ik dat Michiel, Martijn en Paul hier zijn langsgekomen. Helt mijn fiets nu zo achterover of staat dat gebouwtje zo scheef? Mijn verstand vertelt me dat het hier dus behoorlijk steil is.

Op het 10 km-punt denk ik: dit houd ik nog wel even vol; laat ik proberen op deze versnelling le Chalet Reynard te halen. Vijftien kilometer op de 30/21, moet kunnen, zou mooi zijn. Wel vraag ik me steeds af: wat is verstandig? Moet ik zo lang mogelijk de 30/21 trappen, of is dat verspilling van krachten en kan ik beter een tandje kleiner rijden? Onzekerheid troef. Op kilometer 9.8 roept iemand in half weggesleten kalkletters: "Go Bas!" en even verderop schreeuwt het asfalt: "Rije Roel!" Wat zou een mens hier anders moeten? Ik hoor een derailleur achter me, naast me. Een pezige Fransman van een jaar of zestig schuift langszij. We wisselen een paar woorden. -Of ik het hier mooi vind. Ja, ik vind het hier mooi. -Best zwaar, hè? Oui oui, assez dur. -Ik ga nu voor de tweede keer achter elkaar omhoog. Zo, da's knap, maar, excusez, ik wil liever niet te veel praten; mijn adem sparen, vous comprenez? -Zeker, zeker. Concentreren op rouler, n'est-ce pas? Oui oui, bon courage! -Merci, aussi et salut. Aardige jongen, aardig gesprekje, maar het ritme van de ademhaling is gebroken. Na 11.3 kilometer, moet ik naar de 30/23. Nou, dat moet dan maar.

Ik houd constant de hartslagmeter in het oog. De cijfertjes verspringen tussen 155 en 162, net onder mijn omslagpunt. Als ik dat volhoud, moet ik boven kunnen komen. Ik maal maar door, maal maar door. Zeker, het is best steil, maar het gaat heel redelijk. Ik hijg licht. Hard gaat het echter niet; ik word zelfs gepasseerd door een vrolijk voorbij fladderend koolwitje. Die heeft straks thuis wat te vertellen. "Ik heb een renner ingehaald, mam. Met losse handen!"

Bij het naderen van le chalet Reynard krijg ik kippenvel. Puur zenuwen. Links ligt de eerste slinger richting maanlandschap te blikkeren in de zon. 1.417 m. Nog even en dan gaat het spel echt op de wagen. Ik laat de fiets uitlopen naar het terras voor het restaurant, terwijl ik het zakje energierijke voeding leegpers. Het is een soort zoete, dikke vruchtenmoes. Ik spoel het spul weg met een paar flinke slokken water. Voor het terras rijd ik een rondje om de benen wat rust te geven en om de lege bidon naar achteren en de volle naar voren te verhuizen. Ik schakel de 30/26 en zet aan, het akelig steile begin van het maanlandschap op. Nog 500 meter hoogtemeters.

En wat blijkt? De snelheid gaat van gemiddeld 6 à 7 km/u naar 8 à 9. Zeker de eerste kilometer ligt het trapritme prettig hoog en lijkt het of ik verse krachten heb opgedaan. En die "snelheid"! Het gaat ineens zo gemakkelijk, zo soepel. Voor het eerst bekruipt me het gevoel: verrek, misschien kan ik het wel halen, misschien kom ik in één keer boven!

Ondanks de inspanning geniet ik met volle teugen van wat ik aan het doen ben. Ik voel me deel van de wielergeschiedenis, voel dat ik ergens bij hoor. Dat ik één van die dwazen ben die zo nodig deze enorme bult moeten overwinnen. En of je nou Pantani of Virenque heet, Michiel, Roel of Kees; of je met 21 dan wel met 6 km/u door het keienlandschap hebt geploeterd, dat doet er niet toe. Je bent gewoon één van die keien!

Bij het monument voor Tommy Simpson, op 1.770 m, voel ik weer kippenvel. Ik tik met mijn vinger tegen mijn slaap: gegroet, Tommy, gegroet, stomme gedrogeerde mafkees! Ik zal ervoor zorgen dat ík in ieder geval heel boven kom.

Okay, ik wist het: de laatste anderhalve kilometer zou zwaar worden. En toch. Na het relatieve gemak waarmee ik de eerste vijf kilometers in het maanlandschap verwerkt heb, komt de klap hard aan. Allemachtig, wat gaat het ineens moeizaam. De snelheid zakt naar 5 km/u. 5 kilometer per uur! Dan doe je over anderhalve kilometer nog ... Ik kom er niet goed uit. Als die duivel met zijn drietand uit de Tour hier zou zijn, zou hij in ieder geval rustig met me mee kunnen wandelen. Ik probeer of ik kleiner kan schakelen, alsof ik niet weet dat ik niets kleiners heb. Ik kijk achterom. De ketting ligt heus op de 26. Ik ga staan, zitten, staan, zitten. Niets helpt. Karel is al boven. De bofkont.

Voor de balustrade in de voorlaatste bocht staat de jonge gast die me een poos geleden is gepasseerd. Met de hand boven zijn ogen staat hij het dal te bestuderen. De huichelaar. Gewoon moe en afgestapt. Absoluut geen schande natuurlijk, maar ik heb je door, vriend! Natuurliefhebber? Ha! Ik kan bijna zíen dat je op je benen staat te trillen. Hoe oud zou hij zijn? 25? Wel leuk eigenlijk. Ik ga het halen, vast en zeker. Nog 1 kilometer. Ik ga het halen!

Bij de laatste bocht stuur ik helemaal naar buiten. Meer meters, maar minder steil. Ik zie nog de hoofden van Armstrong en Pantani omhoog komen, naast elkaar. Dan hun schouders, hun benen, hun voeten. En nu ik. Nu ik! Aan het eind van de bocht, waar het bordes begint, staat Karel, fototoestel in de aanslag. Ik steek de wijsvinger van mijn rechterhand omhoog, terwijl ik de laatste meters afleg. In één keer, maat, in één keer! Na 2.33 passeer ik de finish.

We zijn beiden apetrots en kinderlijk blij met de prestatie. Ik heb zelfs moeite mijn emoties te bedwingen, zo fantastisch vind ik het. Ik moet een paar minuten mijn mond houden, anders komen de tranen. Zeker, het is de prestatie: ik had niet verwacht dat ik dit zou kunnen. En natuurlijk speelt de vermoeidheid een rol. Maar er komt ook het historisch besef bij, het idee dat zovele wielergrootheden op de flanken van deze berg alles hebben gegeven, al dan niet geholpen door wat zoon Jaap "goei poeier" noemt. Merckx aan de zuurstoffles, Simpson dood, Bernard in 58 minuten boven, dat soort dingen. Fantastisch.

Karel vertelt trots dat ook hij in één keer boven is gekomen, in 2.09.50. Hij heeft zo'n beetje dezelfde ervaringen opgedaan als ik. Het bos viel ons in feite mee. Geen sprake van "een kleine groene hel met een zwarte streep asfalt", zoals Bert Aardema dat noemt in 'Berggids voor fietsers'. Gewoon een lange, kronkelende weg door het bos, zoals we in de Vogezen zo vaak hebben meegemaakt. Ook Karel heeft zich verbaasd over de gemakkelijke eerste kilometers in het maanlandschap. En ook hij heeft zich wel eens afgevraagd of het observatoire nou nooit eens dichterbij zou komen. Ik merk dat hij oprecht blij is dat ik mijn doel, tegen mijn verwachting in, heb bereikt. Hij feliciteert me uitgebreid. Prachtig. Hij vertelt dat hij mij in mijn rode Saecoshirt al van verre zag aankomen en dat hij even gevreesd had dat ik af zou moeten stappen, toen hij me die laatste anderhalve kilometer zag worstelen.

We pauzeren uitgebreid en genieten van het fabelachtige uitzicht. De besneeuwde top van de Mont Blanc, hemelsbreed een kilometer of 240 ver, is heel goed zichtbaar als onderdeel van een keten hagelwitte Alpentoppen. De lucht is kraakhelder en de Winderige Berg laat zich vandaag van zijn allercharmantste kant zien: het is vrijwel windstil op het bordes en tweeëntwintig graden. Onnatuurlijk gewoon.

We gaan het andere gedeelte van de beloning incasseren: de afdaling naar Malaucène. We doen dat heel voorzichtig. Alleen op twee lange rechte einden geven we de fietsen even de ruimte. Daar halen we 78 km/u.

Terug op de camping duikt Karel de auto in, om tevoorschijn te komen met een mooie fles wijn. "Omdat je zoveel moeite en tijd hebt gespendeerd om een goed trainingsschema in elkaar te draaien." Typisch Karel. Hartstikke mooi!

We bellen de dames om ze op afstand te laten delen in de vreugde. En omdat we morgen weer omhoog willen - niet in één keer, maar toch - zoeken we vroeg de stretchers op: om 22.00 verklaren we ons kamp voor gesloten.

 

Vrijdag 1 juni 2001

Het stormt de hele nacht niet te zuinig en af en toe plenst het. Om nou te zeggen dat we lekker geslapen hebben …

Karel is laat vandaag: hij gaat pas om 07.00 brood halen. Tijdens het ontbijt stellen we het besluit omtrent de sportieve vulling van de dag nog uit: misschien zwakt de mistral in de loop van de dag af, je weet maar nooit. En we kunnen eventueel best wat later gaan fietsen, want de hitte lijkt uit de lucht. We drinken dus uitgebreid koffie.

Na een poosje lijkt de wind inderdaad minder te worden. De zon laat zich zien en het is een graad of 20. Omkleden dus en fietsen: we gaan nog een keertje de Ventoux op. De bedoeling is dat we dat rustig aan doen, in eerste instantie tot het chalet. Daar bekijken we hoe de toestand van lichaam & ziel is en wat de mistral voor ons in petto heeft.

Als jonge hond bereidt Karel gewoontegetrouw de weg, als bezadigd oudere heer volg ik op steeds eerbiedwaardiger afstand. En het gaat moeizaam vandaag, heel moeizaam. Na een kilometer of vier vraag ik me af of ik niet beter kan stopen. In Saint-Estève moet ik naar de 30/26, niet te geloven gewoon. Dat kan nooit goed gaan. Op deze manier heb ik geen schijn van kans boven te komen. Ja, in de hemel misschien. Mijn hfr. blijft laag, in de buurt van de 150, dus ontploffen zal ik niet, maar ik heb absoluut geen macht. Ik beloof mezelf een pauze op het 10 kilometerpunt. Als ik daar ben, stop ik echter niet. In plaats daarvan houd ik me de pauzeworst van de eerstvolgende parkeerplaats voor. Daar zit een echtpaar gezellig op een broodje te kluiven. Omdat het voor mijn ego al te pijnlijk is hier af te stappen, wordt de eerstvolgende schaduwplek mijn doel. Maar ook die ga ik voorbij. Alles doet pijn, mijn rug, mijn nek, mijn rechterschouder. Af en toe voel ik de mistral in mijn gezicht, koud en fel. Dat belooft weinig goeds voor het maanlandschap.

"Petra" op de weg geschilderd. Petra. Waar zou ze wonen? Zou het een jong ding zijn met een wapperende paardenstaart onder de helm uit en met een snel gesneden triatlonpakje aan? Of zo'n tanige, afgetrainde middelbare dame zoals je hier nogal eens ziet? Petra o Petra, wat doet mijn rug pijn. Voor de zoveelste keer passeert de geblindeerde zwarte Mercedes met zijn sleep. Die mannen experimenteren wat af hier. Een droombaan, lijkt me. Op kosten van de baas proberen nieuwe auto's kapot te rijden. Mooi werk. In de berm roept een Belg: "Dur hé!?" "Oui oui, j'aime la Hollande", hijg ik. Hij lacht.

12 1/2. Nog 2 1/2 kilometer tot het chalet. Proberen vol te houden. Maar hoe dan ook: ik ga niet naar de top. 't Is mij wel goed. Het zit er domweg niet in vandaag. 13. 13 1/2. Ik zit steenkapot. Ik ga steeds even staan, maar daar word ik alleen maar moe van en de hfr. loopt meteen naar de 155. Terug in het zadel dus. Mijn neus is goed open, ik drink regelmatig energiedrank, heb volop gegeten, daar ligt het allemaal niet aan. 6 km/u, 7. Waar blijft het chalet? Eindelijk, de laatste bocht. De ijskoude mistral blaast me vol in het gezicht. 5 km/u. Voor me loopt iemand, fiets aan de hand. Karel is al uren boven. Ik ga staan, zitten, staan. Dan ben ik er. Ik ga op een beschut plekje zitten en trek mijn jack aan. Het is genoeg. Ik kap ermee. Ik heb het koud. Ik wacht hier op Karel.

Na een paar minuten denk ik: als ik nu eens gewoon aan het maanlandschap begin? Kom ik Karel tegen, dan keer ik om en ga met hem naar beneden. Goed idee. Doen we.

De korte rust heeft me blijkbaar goed gedaan, want ik klim tamelijk gemakkelijk: hfr. 145, 7 à 8 km/u. De eerste bocht naar rechts. Bam! Een koude dreun. De mistral. Wat een wind. Toch slaag ik erin hfr. en snelheid gelijk te houden. Je zou zeggen dat de hartslag omhoog moet kunnen, dat ik harder moet kunnen trappen. Niet dus. Als ik dat probeer, raak ik ogenblikkelijk buiten adem. Op de een of andere manier horen voor mij deze hfr. en snelheid blijkbaar bij deze helling en deze wind. Dat zal dan wel. Bocht naar links. Mistral in de rug, heerlijk! Bocht naar rechts. Bam! Weer die dreun. En zo gaat het maar door. Af en toe rijd ik een stuk met de handen in de beugels, om zo veel mogelijk onder de wind door te fietsen. Soms valt die een ogenblik helemaal weg, om een paar seconden later weer de inmiddels vertrouwde klap uit te delen. Ik blijf bijna een meter uit de kant van de weg om niet bij een onverwachte windvlaag in de lage berm terecht te komen.

Na twee kilometer denk ik: ik rijd door tot de refugie bij de Fontaine de la Grave, dan is het mooi geweest, daar wacht ik op Karel. Ik passeer de Fontaine de la Grave, passeer ook de refugie. 5 km/u, 6. Het is lang niet zo druk op de weg als de afgelopen dagen; de mensen wachten zeker op betere tijden. Voor me sukkelt hier en daar een renner, diep over het stuur gebogen. Wat willen we toch bewijzen? Dat de tijd nog geen greep op ons heeft gekregen? Dat de wil het lichaam kan voortstuwen? Dat de mens vandaag sterker is dan de natuur? Dat fietsen hoe dan ook leuk is? Ik haal niemand in, word zelf evenmin ingehaald. Op een kilometer of drie voor de top komt Karel me tegemoet. Ik roep: "Ik rijd even door". Ik ben nu zo dicht bij de top, dat laat ik me niet meer afnemen. Karel gaat verder naar beneden, ik naar boven.

Af en toe zit ik te godveren van ellende, maar de hfr. blijft 145, de snelheid blijft 6 à 7 km/u. Uiterst merkwaardig. Bij Tom Simpson sta ik bijna stil. De wind lijkt me klein te krijgen. Voor me zie ik een duo waar ik al vele kilometers achter zit van links naar rechts over de weg zwabberen. Het ligt dus niet alleen aan mij. Op het stuk naar de balustrade, ongeveer een kilometer voor de top, schiet door me heen: ik haal het niet, verdomme ik haal het niet! Kolerewind! Staan, zitten, staan, zitten. De bocht naar links. Geen zuchtje wind! Twee meter verder: wind in de rug. Heerlijk. Heerlijk! Voor de laatste bocht naar het bordes stuur ik naar links, naar de buitenbocht. Ik ga staan en zet aan voor de laatste tientallen steile meters. De wind krijgt weer vat op me en bijna word ik de weg naar Malaucène opgedreven. Nog net op tijd kan ik naar links sturen, het bordes op, naar de streep, de echte top. Dan ben ik er.

Met trillende benen stap ik af. "Alle Achtung", hoor ik. Er klinkt bewondering in zijn stem. "Danke sehr", zucht ik. Het waait hier boven knoerthard en het is koud. Ik ga in de beschutting van het trapje zitten, vanwaar je een schitterend uitzicht hebt op al die miljoenen witte keien. In no time eet ik vier minimarsjes. Ik rust maar enkele minuten en maak aanstalten aan de terugtocht te beginnen; Karel zit al zo lang op me te wachten.

Een OAD-bus staat in de weg. Dat is mijn kans. Ik klop op het raam, de chauffeur opent het. Ik vraag hem hoe dat zit met een elektrisch rem. Hij legt uitgebreid uit hoe zo'n ding werkt. Als het gesprek op fietsen komt, blijkt dat hij ook aan wielrennen doet. Het zal niet waar zijn. Ondertussen is de halve bus leeggelopen en word ik omgeven door oudere dames en heren die hun bewondering niet onder stoelen of banken steken. "Bent u helemaal van beneden naar boven gefietst?" "Hoelang doet u daarover?" "Is het moeilijk?" "Knap hoor!" Ik moet zelfs met de chauffeur op de foto! Als ik wegfiets, roept iemand nog: "Prachtprestatie!" Een warm bad noemen ze zoiets.

De afdaling verloopt goed, al is het oppassen geblazen voor plotselinge windstoten. Bij le chalet doe ik Karel mijn verhaal. Mijn maat vertelt dat hij de hfr. bewust laag heeft gehouden en soepel en probleemloos boven is gekomen. Een heerlijk rit, vindt hij. Tsja.

Nadat ik een beetje op temperatuur ben gekomen, sjezen we terug naar Bedoin. Op de camping douchen we en werpen we ons op een pilsje. In vier dagen vier keer de Mont Ventoux op! Er zijn er niet zo heel veel die ons dat nadoen. En wat nou zo merkwaardig is: ondanks alle ellende is de klim vandaag ruim sneller gegaan dan die van dinsdag!

Willem Janssen Steenberg, Cinglé, Heesch.

Tijd: 2 uur 27 minuten 30 seconden (Willem janssen Steenberg) - zie Klassement MV
Tijd: 2 uur 9 minuten (Karel Kleijn) - zie Klassement MV

Boek 'De kale berg'Willem Janssen Steenberg is een van de auteurs
van het het boek 'De kale berg -
op en over de Mont Ventoux'
.
 


omhoog© www.dekaleberg.nl