|
| Verslag (39) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 Alfabetische index | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Na een winter trainen op ijsbaan Triavium in Nijmegen en
met 3000 fietskilometers in de benen is het dan zover: onze
fietsvakantie in Zuid-Frankrijk kan beginnen. Het doel van dit jaar: de
Mont Ventoux vier keer op één dag beklimmen,
nadat vorig jaar drie keer gelukt is. Maandag 1 juni 04.00 uur gaat de wekker. Ik heb goed
geslapen. Aankleden, een berg eten laden, verlichting aan en
vertrekken. Vanaf de camping naar Bedoin is het ongeveer drie
kilometer. Het is fantastisch een keer vóór
zonsopkomst te vertrekken en het silhouet van de Ventoux in het donker
te zien. In de verte zie je het rode lichtje van het Observatoire boven
op de berg. Daar ligt ons doel! De tweede en derde dag zijn we wel weer één keer per dag naar boven gefietst. De laatste dag, de vierde, wilde ik de DP-bidon achterlaten bij het monument van een groot wielrenner en sportman, Tom Simpson. Hij heeft zich in de Tour de France van 1967 op de Mont Ventoux letterlijk dood gefietst. De mistral, met windsnelheden van boven de 100 kilometer per uur, verhinderde dat echter. Het was door het bos nog wel te doen, maar in het totaal open landschap voorbij Le Chalet Reynard met zijn steile, niet afgeschermde hellingen, was het te gevaarlijk en we zijn dan ook niet verdergegaan. Wil je meer weten over de Mont Ventoux, lees dan het boek De kale berg - Op en over de Mont Ventoux. Mijn fietsmaat Willem Janssen Steenberg is mede-auteur van dit prachtige boek. Onlangs is de derde druk verschenen. Ook kun je de Nederlandstalige website over de Ventoux bezoeken: www.dekaleberg.nl Karel Kleijn N.B. Dit verslag is oorspronkelijk geschreven t.b.v. het personeelsblad van Duijvelaar Pompen in Alphen a/d Rijn.
06.00:
reveille. Toilet maken en ontbijten. We gunnen ons geen tijd voor
koffie. We smeren ons dik in met factor 28, want het belooft heet te
worden vandaag. 07.45:
Op de streep klikken we de pedalen vast. We zijn beladen met eten en
drinken: müslirepen, pannenkoekentaart, minimarsjes, zakjes
energy-limonadepoeder, een bidon met Karvan Cévitam en een
met water. Om het sportieve beeld compleet te maken hebben we met
plakband een banaan op de zitbuis bevestigd. Malaucène.
Halfuur pauze. Stempel halen bij Michel Jerôme van
fietsenwinkel ACScycles. Een praatje met enkele Nederlandse renners.
Eén van hen vraagt nota bene waar onze volgende
beklimming begint… "In Sault natuurlijk!", grinnikt
één van zijn makkers. We
zoeken ons gek naar een supermarché om bijvoeding in de vorm
van marsen te kopen. Als ik bij een school een onderwijzeres de weg
vraag, rand ik de schoonheid aan, doordat ik mijn voet niet uit de klip
krijg, dreig te vallen en haar in een reflex bij de schouder grijp. Een
aanwezige vader blijkt gelukkig ook wielrenner; hij schiet in de lach
en legt haar in twee woorden uit wat er gebeurt als het even niet wil
met die "automatische pedalen." Ik excuseer me natuurlijk uitgebreid,
maar ze maakt er verder gelukkig geen woord aan vuil en is alweer met
iets anders bezig. Uiteindelijk
vertrekken we om 17.00 precies uit Sault. Dat is volgens mijn
schattingen aan de late kant; ik reken op ruim drie uur naar de top.
Karel denkt dat Het
is niet erg warm daarboven, er is geen kip om ons bewonderend aan te
staren, dus gaan we vrijwel direct naar beneden. Ik ben vooraf ietwat
benauwd voor de coördinatie en de reflexen na zo'n inspannende
dag en dus heel erg op mijn hoede, maar ik voel me tijdens de afdaling
uiterst geconcentreerd. Desgevraagd bevestigt Karel achteraf dat de
techniek er uitstekend uitzag. De maximale snelheid bedraagt tijdens
deze afzink 84 km/u. Om 20.45 rijden we Bedoin binnen en is Nederland
twee Cinglés rijker. Enkele
cijfers:
's
Avonds hebben we geen trek, wel dorst. Geen pijn in de benen, zitvlak
of de rug. Wel moe en totaal leeg (“Dit nooit
meer!”), maar niet gebroken. Goed geslapen en de volgende dag
absoluut geen naweeën. Onbegrijpelijk, maar waar. Een dag niet
fietsen, maar ontspannen wandelen in de Toulourenc en een lange
autorondrit maken was wel een briljant idee. De dagen daarna weer
stevig rondgefietst: col des Abeilles + Gorges de la Nesque en rond les
Dentelles de Montmirail. Voor
de volgende keer… --Per
se voor een hoofdbedekking zorgen: petje of bandana. --Meer
Isostar-müslirepen meenemen: ook als we moe zijn, krijgen we
die goed weg en blijven ze smaken. --In
elk geval één bidon alleen met water (en niet met
limonade of zoiets) vullen om vingers e.d. mee te
kunnen wassen en over hoofd en nek te kunnen sprenkelen. --Ruim
voldoende geld meenemen om water te kunnen kopen bij chalet Reynard,
chalet Liotard en in
Sault. "Wie
de Ventoux overwint, overwint sinds 13 juli 1967 een beetje de dood."
We hadden gisteren al besloten dat we vroeg op pad zouden gaan, omdat de middagtemperaturen in de Provence niet bijster geschikt zijn voor zware sportactiviteiten. Welnu, om 07.00 steken we het hoofd buiten de tent. We trekken de fietskleding aan en vullen de bidons met alles wat maar kracht kan leveren. Ik stop bovendien vier minimarsjes en een pakje druivensuiker in het zadeltasje en een banaan en een zakje geconcentreerde voeding in de achterzak. Omdat we altijd dreigen te ontploffen als we in de hitte moeten klimmen met de helm op, binden we die op het stuur. De mijne dient tevens als bergplaats voor mijn jack. Afgelopen zaterdag heb ik broodjes ingeslagen om te voorkomen dat we op de dag van de aanval eerst nog naar de bakker zouden moeten; het stokbrood komt morgen wel. We drinken water bij gebrek aan melk; voor koffie gunnen we ons geen tijd. Alletwee voelen we de spanning in ons lijf. Vandaag moet het gebeuren. Hiervoor hebben we al in januari regen, kou en wind getrotseerd. Hiervoor zijn we op rare uren de Maasdijk opgegaan en hebben we de dames alleen laten dineren. Hierover hebben we gepraat en hiervan hebben we gedroomd: vandaag moeten we in één keer de Mont Ventoux op. Om 08.00 fietsen we de camping af en om 08.20 stoppen we bij het bordje dat het einde van de bebouwde kom van Bedoin aangeeft. We starten de diverse meters, wensen elkaar succes en daar gaat-ie dan: op naar de top! 21 kilometers van gemiddeld 7.7%, ruim 1600 hoogtemeters. "C'est un col qui fait peur", om met Tourdirecteur Leblanc te spreken. Ik voel de spanning in mijn buik. Ieder gaat zijn eigen tempo aanhouden, dus Karel rijdt direct van me weg. Na een kleine kilometer, in de afslag naar Flassan, doemt recht voor me, hooghartig oplichtend in de ochtendzon, de top van le Mont Nu op. Daar moet ik dus heen. Volgens de boekjes is de eerste vijf kilometer van de klim vals plat, maar mijn hfr. ligt hier al op 155. Dat is reden om gas terug te nemen. Ik ging overigens helemaal niet hard; de hartslag is ongetwijfeld door de spanning opgevoerd. Maar hoe je het ook wendt of keert, te hoog is te hoog. Ik heb me heilig voorgenomen me te houden aan de wijsheden die ik de afgelopen maanden heb opgedaan, dus besluit ik de rem aan te trekken. Ik schakel de 30/19 en verlies Karel uit het oog. Nergens is nog een levende ziel te bekennen, ik ben helemaal alleen. De zon brandt. Ik rijd 8 à 9 km/u. In Sainte-Colombe, na ruim drie kilometer en pas op 455 m hoogte, vind ik het al zwaar worden. Ik vraag me af hoe dat verderop moet. In Saint-Estève draait de weg scherp naar links, een procent of 10 omhoog; ik moet naar de 30/21. De tpm. is aan de lage kant, ergens in de buurt van de 50, maar ik kan deze versnelling goed rond krijgen. Ik beloof mezelf dat ik op km 10 naar de 30/23 mag. Na 5.3 kilometer staat op de weg: "Knalle Kees." Knalle Kees. Ik had liever "Wup Willem" gezien. Of "Danse Janssen". Een kleine twee kilometer verder meldt de gemeente op een groot bord dat de col ouvert is. Zijn we tenminste niet voor niets hierheen gekomen. Weer twee kilometer verder, bij het kantonnierhuisje, lees ik dat Michiel, Martijn en Paul hier zijn langsgekomen. Helt mijn fiets nu zo achterover of staat dat gebouwtje zo scheef? Mijn verstand vertelt me dat het hier dus behoorlijk steil is. Op het 10 km-punt denk ik: dit houd ik nog wel even vol; laat ik proberen op deze versnelling le Chalet Reynard te halen. Vijftien kilometer op de 30/21, moet kunnen, zou mooi zijn. Wel vraag ik me steeds af: wat is verstandig? Moet ik zo lang mogelijk de 30/21 trappen, of is dat verspilling van krachten en kan ik beter een tandje kleiner rijden? Onzekerheid troef. Op kilometer 9.8 roept iemand in half weggesleten kalkletters: "Go Bas!" en even verderop schreeuwt het asfalt: "Rije Roel!" Wat zou een mens hier anders moeten? Ik hoor een derailleur achter me, naast me. Een pezige Fransman van een jaar of zestig schuift langszij. We wisselen een paar woorden. -Of ik het hier mooi vind. Ja, ik vind het hier mooi. -Best zwaar, hè? Oui oui, assez dur. -Ik ga nu voor de tweede keer achter elkaar omhoog. Zo, da's knap, maar, excusez, ik wil liever niet te veel praten; mijn adem sparen, vous comprenez? -Zeker, zeker. Concentreren op rouler, n'est-ce pas? Oui oui, bon courage! -Merci, aussi et salut. Aardige jongen, aardig gesprekje, maar het ritme van de ademhaling is gebroken. Na 11.3 kilometer, moet ik naar de 30/23. Nou, dat moet dan maar. Ik houd constant de hartslagmeter in het oog. De cijfertjes verspringen tussen 155 en 162, net onder mijn omslagpunt. Als ik dat volhoud, moet ik boven kunnen komen. Ik maal maar door, maal maar door. Zeker, het is best steil, maar het gaat heel redelijk. Ik hijg licht. Hard gaat het echter niet; ik word zelfs gepasseerd door een vrolijk voorbij fladderend koolwitje. Die heeft straks thuis wat te vertellen. "Ik heb een renner ingehaald, mam. Met losse handen!" Bij het naderen van le chalet Reynard krijg ik kippenvel. Puur zenuwen. Links ligt de eerste slinger richting maanlandschap te blikkeren in de zon. 1.417 m. Nog even en dan gaat het spel echt op de wagen. Ik laat de fiets uitlopen naar het terras voor het restaurant, terwijl ik het zakje energierijke voeding leegpers. Het is een soort zoete, dikke vruchtenmoes. Ik spoel het spul weg met een paar flinke slokken water. Voor het terras rijd ik een rondje om de benen wat rust te geven en om de lege bidon naar achteren en de volle naar voren te verhuizen. Ik schakel de 30/26 en zet aan, het akelig steile begin van het maanlandschap op. Nog 500 meter hoogtemeters. En wat blijkt? De snelheid gaat van gemiddeld 6 à 7 km/u naar 8 à 9. Zeker de eerste kilometer ligt het trapritme prettig hoog en lijkt het of ik verse krachten heb opgedaan. En die "snelheid"! Het gaat ineens zo gemakkelijk, zo soepel. Voor het eerst bekruipt me het gevoel: verrek, misschien kan ik het wel halen, misschien kom ik in één keer boven! Ondanks de inspanning geniet ik met volle teugen van wat ik aan het doen ben. Ik voel me deel van de wielergeschiedenis, voel dat ik ergens bij hoor. Dat ik één van die dwazen ben die zo nodig deze enorme bult moeten overwinnen. En of je nou Pantani of Virenque heet, Michiel, Roel of Kees; of je met 21 dan wel met 6 km/u door het keienlandschap hebt geploeterd, dat doet er niet toe. Je bent gewoon één van die keien! Bij het monument voor Tommy Simpson, op 1.770 m, voel ik weer kippenvel. Ik tik met mijn vinger tegen mijn slaap: gegroet, Tommy, gegroet, stomme gedrogeerde mafkees! Ik zal ervoor zorgen dat ík in ieder geval heel boven kom. Okay, ik wist het: de laatste anderhalve kilometer zou zwaar worden. En toch. Na het relatieve gemak waarmee ik de eerste vijf kilometers in het maanlandschap verwerkt heb, komt de klap hard aan. Allemachtig, wat gaat het ineens moeizaam. De snelheid zakt naar 5 km/u. 5 kilometer per uur! Dan doe je over anderhalve kilometer nog ... Ik kom er niet goed uit. Als die duivel met zijn drietand uit de Tour hier zou zijn, zou hij in ieder geval rustig met me mee kunnen wandelen. Ik probeer of ik kleiner kan schakelen, alsof ik niet weet dat ik niets kleiners heb. Ik kijk achterom. De ketting ligt heus op de 26. Ik ga staan, zitten, staan, zitten. Niets helpt. Karel is al boven. De bofkont. Voor de balustrade in de voorlaatste bocht staat de jonge gast die me een poos geleden is gepasseerd. Met de hand boven zijn ogen staat hij het dal te bestuderen. De huichelaar. Gewoon moe en afgestapt. Absoluut geen schande natuurlijk, maar ik heb je door, vriend! Natuurliefhebber? Ha! Ik kan bijna zíen dat je op je benen staat te trillen. Hoe oud zou hij zijn? 25? Wel leuk eigenlijk. Ik ga het halen, vast en zeker. Nog 1 kilometer. Ik ga het halen! Bij de laatste bocht stuur ik helemaal naar buiten. Meer meters, maar minder steil. Ik zie nog de hoofden van Armstrong en Pantani omhoog komen, naast elkaar. Dan hun schouders, hun benen, hun voeten. En nu ik. Nu ik! Aan het eind van de bocht, waar het bordes begint, staat Karel, fototoestel in de aanslag. Ik steek de wijsvinger van mijn rechterhand omhoog, terwijl ik de laatste meters afleg. In één keer, maat, in één keer! Na 2.33 passeer ik de finish. We zijn beiden apetrots en kinderlijk blij met de prestatie. Ik heb zelfs moeite mijn emoties te bedwingen, zo fantastisch vind ik het. Ik moet een paar minuten mijn mond houden, anders komen de tranen. Zeker, het is de prestatie: ik had niet verwacht dat ik dit zou kunnen. En natuurlijk speelt de vermoeidheid een rol. Maar er komt ook het historisch besef bij, het idee dat zovele wielergrootheden op de flanken van deze berg alles hebben gegeven, al dan niet geholpen door wat zoon Jaap "goei poeier" noemt. Merckx aan de zuurstoffles, Simpson dood, Bernard in 58 minuten boven, dat soort dingen. Fantastisch. Karel vertelt trots dat ook hij in één keer boven is gekomen, in 2.09.50. Hij heeft zo'n beetje dezelfde ervaringen opgedaan als ik. Het bos viel ons in feite mee. Geen sprake van "een kleine groene hel met een zwarte streep asfalt", zoals Bert Aardema dat noemt in 'Berggids voor fietsers'. Gewoon een lange, kronkelende weg door het bos, zoals we in de Vogezen zo vaak hebben meegemaakt. Ook Karel heeft zich verbaasd over de gemakkelijke eerste kilometers in het maanlandschap. En ook hij heeft zich wel eens afgevraagd of het observatoire nou nooit eens dichterbij zou komen. Ik merk dat hij oprecht blij is dat ik mijn doel, tegen mijn verwachting in, heb bereikt. Hij feliciteert me uitgebreid. Prachtig. Hij vertelt dat hij mij in mijn rode Saecoshirt al van verre zag aankomen en dat hij even gevreesd had dat ik af zou moeten stappen, toen hij me die laatste anderhalve kilometer zag worstelen. We pauzeren uitgebreid en genieten van het fabelachtige uitzicht. De besneeuwde top van de Mont Blanc, hemelsbreed een kilometer of 240 ver, is heel goed zichtbaar als onderdeel van een keten hagelwitte Alpentoppen. De lucht is kraakhelder en de Winderige Berg laat zich vandaag van zijn allercharmantste kant zien: het is vrijwel windstil op het bordes en tweeëntwintig graden. Onnatuurlijk gewoon. We gaan het andere gedeelte van de beloning incasseren: de afdaling naar Malaucène. We doen dat heel voorzichtig. Alleen op twee lange rechte einden geven we de fietsen even de ruimte. Daar halen we 78 km/u. Terug op de camping duikt Karel de auto in, om tevoorschijn te komen met een mooie fles wijn. "Omdat je zoveel moeite en tijd hebt gespendeerd om een goed trainingsschema in elkaar te draaien." Typisch Karel. Hartstikke mooi! We bellen de dames om ze op afstand te laten delen in de vreugde. En omdat we morgen weer omhoog willen - niet in één keer, maar toch - zoeken we vroeg de stretchers op: om 22.00 verklaren we ons kamp voor gesloten. Vrijdag 1 juni 2001 Het stormt de hele nacht niet te zuinig en af en toe plenst het. Om nou te zeggen dat we lekker geslapen hebben … Karel is laat vandaag: hij gaat pas om 07.00 brood halen. Tijdens het ontbijt stellen we het besluit omtrent de sportieve vulling van de dag nog uit: misschien zwakt de mistral in de loop van de dag af, je weet maar nooit. En we kunnen eventueel best wat later gaan fietsen, want de hitte lijkt uit de lucht. We drinken dus uitgebreid koffie. Na een poosje lijkt de wind inderdaad minder te worden. De zon laat zich zien en het is een graad of 20. Omkleden dus en fietsen: we gaan nog een keertje de Ventoux op. De bedoeling is dat we dat rustig aan doen, in eerste instantie tot het chalet. Daar bekijken we hoe de toestand van lichaam & ziel is en wat de mistral voor ons in petto heeft. Als jonge hond bereidt Karel gewoontegetrouw de weg, als bezadigd oudere heer volg ik op steeds eerbiedwaardiger afstand. En het gaat moeizaam vandaag, heel moeizaam. Na een kilometer of vier vraag ik me af of ik niet beter kan stopen. In Saint-Estève moet ik naar de 30/26, niet te geloven gewoon. Dat kan nooit goed gaan. Op deze manier heb ik geen schijn van kans boven te komen. Ja, in de hemel misschien. Mijn hfr. blijft laag, in de buurt van de 150, dus ontploffen zal ik niet, maar ik heb absoluut geen macht. Ik beloof mezelf een pauze op het 10 kilometerpunt. Als ik daar ben, stop ik echter niet. In plaats daarvan houd ik me de pauzeworst van de eerstvolgende parkeerplaats voor. Daar zit een echtpaar gezellig op een broodje te kluiven. Omdat het voor mijn ego al te pijnlijk is hier af te stappen, wordt de eerstvolgende schaduwplek mijn doel. Maar ook die ga ik voorbij. Alles doet pijn, mijn rug, mijn nek, mijn rechterschouder. Af en toe voel ik de mistral in mijn gezicht, koud en fel. Dat belooft weinig goeds voor het maanlandschap. "Petra" op de weg geschilderd. Petra. Waar zou ze wonen? Zou het een jong ding zijn met een wapperende paardenstaart onder de helm uit en met een snel gesneden triatlonpakje aan? Of zo'n tanige, afgetrainde middelbare dame zoals je hier nogal eens ziet? Petra o Petra, wat doet mijn rug pijn. Voor de zoveelste keer passeert de geblindeerde zwarte Mercedes met zijn sleep. Die mannen experimenteren wat af hier. Een droombaan, lijkt me. Op kosten van de baas proberen nieuwe auto's kapot te rijden. Mooi werk. In de berm roept een Belg: "Dur hé!?" "Oui oui, j'aime la Hollande", hijg ik. Hij lacht. 12 1/2. Nog 2 1/2 kilometer tot het chalet. Proberen vol te houden. Maar hoe dan ook: ik ga niet naar de top. 't Is mij wel goed. Het zit er domweg niet in vandaag. 13. 13 1/2. Ik zit steenkapot. Ik ga steeds even staan, maar daar word ik alleen maar moe van en de hfr. loopt meteen naar de 155. Terug in het zadel dus. Mijn neus is goed open, ik drink regelmatig energiedrank, heb volop gegeten, daar ligt het allemaal niet aan. 6 km/u, 7. Waar blijft het chalet? Eindelijk, de laatste bocht. De ijskoude mistral blaast me vol in het gezicht. 5 km/u. Voor me loopt iemand, fiets aan de hand. Karel is al uren boven. Ik ga staan, zitten, staan. Dan ben ik er. Ik ga op een beschut plekje zitten en trek mijn jack aan. Het is genoeg. Ik kap ermee. Ik heb het koud. Ik wacht hier op Karel. Na een paar minuten denk ik: als ik nu eens gewoon aan het maanlandschap begin? Kom ik Karel tegen, dan keer ik om en ga met hem naar beneden. Goed idee. Doen we. De korte rust heeft me blijkbaar goed gedaan, want ik klim tamelijk gemakkelijk: hfr. 145, 7 à 8 km/u. De eerste bocht naar rechts. Bam! Een koude dreun. De mistral. Wat een wind. Toch slaag ik erin hfr. en snelheid gelijk te houden. Je zou zeggen dat de hartslag omhoog moet kunnen, dat ik harder moet kunnen trappen. Niet dus. Als ik dat probeer, raak ik ogenblikkelijk buiten adem. Op de een of andere manier horen voor mij deze hfr. en snelheid blijkbaar bij deze helling en deze wind. Dat zal dan wel. Bocht naar links. Mistral in de rug, heerlijk! Bocht naar rechts. Bam! Weer die dreun. En zo gaat het maar door. Af en toe rijd ik een stuk met de handen in de beugels, om zo veel mogelijk onder de wind door te fietsen. Soms valt die een ogenblik helemaal weg, om een paar seconden later weer de inmiddels vertrouwde klap uit te delen. Ik blijf bijna een meter uit de kant van de weg om niet bij een onverwachte windvlaag in de lage berm terecht te komen. Na twee kilometer denk ik: ik rijd door tot de refugie bij de Fontaine de la Grave, dan is het mooi geweest, daar wacht ik op Karel. Ik passeer de Fontaine de la Grave, passeer ook de refugie. 5 km/u, 6. Het is lang niet zo druk op de weg als de afgelopen dagen; de mensen wachten zeker op betere tijden. Voor me sukkelt hier en daar een renner, diep over het stuur gebogen. Wat willen we toch bewijzen? Dat de tijd nog geen greep op ons heeft gekregen? Dat de wil het lichaam kan voortstuwen? Dat de mens vandaag sterker is dan de natuur? Dat fietsen hoe dan ook leuk is? Ik haal niemand in, word zelf evenmin ingehaald. Op een kilometer of drie voor de top komt Karel me tegemoet. Ik roep: "Ik rijd even door". Ik ben nu zo dicht bij de top, dat laat ik me niet meer afnemen. Karel gaat verder naar beneden, ik naar boven. Af en toe zit ik te godveren van ellende, maar de hfr. blijft 145, de snelheid blijft 6 à 7 km/u. Uiterst merkwaardig. Bij Tom Simpson sta ik bijna stil. De wind lijkt me klein te krijgen. Voor me zie ik een duo waar ik al vele kilometers achter zit van links naar rechts over de weg zwabberen. Het ligt dus niet alleen aan mij. Op het stuk naar de balustrade, ongeveer een kilometer voor de top, schiet door me heen: ik haal het niet, verdomme ik haal het niet! Kolerewind! Staan, zitten, staan, zitten. De bocht naar links. Geen zuchtje wind! Twee meter verder: wind in de rug. Heerlijk. Heerlijk! Voor de laatste bocht naar het bordes stuur ik naar links, naar de buitenbocht. Ik ga staan en zet aan voor de laatste tientallen steile meters. De wind krijgt weer vat op me en bijna word ik de weg naar Malaucène opgedreven. Nog net op tijd kan ik naar links sturen, het bordes op, naar de streep, de echte top. Dan ben ik er. Met trillende benen stap ik af. "Alle Achtung", hoor ik. Er klinkt bewondering in zijn stem. "Danke sehr", zucht ik. Het waait hier boven knoerthard en het is koud. Ik ga in de beschutting van het trapje zitten, vanwaar je een schitterend uitzicht hebt op al die miljoenen witte keien. In no time eet ik vier minimarsjes. Ik rust maar enkele minuten en maak aanstalten aan de terugtocht te beginnen; Karel zit al zo lang op me te wachten. Een OAD-bus staat in de weg. Dat is mijn kans. Ik klop op het raam, de chauffeur opent het. Ik vraag hem hoe dat zit met een elektrisch rem. Hij legt uitgebreid uit hoe zo'n ding werkt. Als het gesprek op fietsen komt, blijkt dat hij ook aan wielrennen doet. Het zal niet waar zijn. Ondertussen is de halve bus leeggelopen en word ik omgeven door oudere dames en heren die hun bewondering niet onder stoelen of banken steken. "Bent u helemaal van beneden naar boven gefietst?" "Hoelang doet u daarover?" "Is het moeilijk?" "Knap hoor!" Ik moet zelfs met de chauffeur op de foto! Als ik wegfiets, roept iemand nog: "Prachtprestatie!" Een warm bad noemen ze zoiets. De afdaling verloopt goed, al is het oppassen geblazen voor plotselinge windstoten. Bij le chalet doe ik Karel mijn verhaal. Mijn maat vertelt dat hij de hfr. bewust laag heeft gehouden en soepel en probleemloos boven is gekomen. Een heerlijk rit, vindt hij. Tsja. Nadat ik een beetje op temperatuur ben gekomen, sjezen we terug naar Bedoin. Op de camping douchen we en werpen we ons op een pilsje. In vier dagen vier keer de Mont Ventoux op! Er zijn er niet zo heel veel die ons dat nadoen. En wat nou zo merkwaardig is: ondanks alle ellende is de klim vandaag ruim sneller gegaan dan die van dinsdag! Willem
Janssen Steenberg, Cinglé, Heesch. Tijd: 2 uur 27 minuten 30 seconden (Willem janssen
Steenberg) - zie Klassement MV |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||