|
26
mei 2001
Reisverslag
Mont Ventoux 1988
We hadden het plan al maanden vantevoren klaar. Eiso en ik zouden naar
Zuid-Frankrijk gaan om de Mont Ventoux te beklimmen. Hoewel slechts
zeventien jaar oud, hadden we een reputatie hoog te houden: ik, omdat
ik tegen iedereen al had zitten opscheppen hoe ik eerste was geworden
in het Friese bergklassement tegen Eiso (voor de goede orde: in dit
klassement gold de brug over het Van Harinxma-kanaal bij Leeuwarden als
hors catégorie). Eiso vooral omdat
hij uit hetzelfde dorp (Deersum) kwam als aanstaande schaatslegende Ids
Postma die zich toen al middels fiets en skeeler op de wegen deed
gelden en die we nooit konden bijhouden hoewel hij twee jaar jonger
was. Ik kan u verzekeren, zoiets knaagt aan het eergevoel van de
gemiddelde postpuber.
We boekten een reis die ons met fiets in een bus naar Avignon zou
vervoeren en drie weken later weer zou oppikken. Eiso's moeder bracht
ons naar Utrecht in haar oude Volvo met een rijstijl die ernstig
bijdroeg tot de wagenziekte die ik toen voor de eerste en enige keer
meemaakte. Net op tijd in Utrecht aangekomen, de bus ingeladen en op
weg.
Ik zal Eiso's eerste opmerking in Avignon niet snel vergeten:
“Waar is de Ventoux dan?”, vooral omdat hij werd
uitgesproken terwijl Eiso met de rug naar een enorme bult aan de
horizon stond. Goed, de Ventoux was snel gevonden. We hadden besloten
eerst een week als voorbereiding langs de andere oever van de
Rhône te gaan fietsen, maar ons volstrekte gebrek aan
voorbereiding brak ons al snel op, evenals de onfortuinlijke beslissing
om te gaan fietsen met nogal zware rugzakken. Desondanks maakten we de
nodige kilometers in de Gard alvorens weer naar de rechteroever over te
steken via Tavel en Chateauneuf, waar iets teveel van het lokale
product werd genoten. Uiteindelijk kwamen we uit op de camping
municipale in Pernes-les-Fontaines, een charmante plaats die
zijn aantrekkelijkheid mede ontleende aan de aanwezigheid van vele
fonteinen, waardoor we niet werden gedwongen verder in te teren op de
toch al schaarse reisfondsen door flessen water te kopen.
Op zeventien augustus 1988 was het dan zover. We vertrokken redelijk
vroeg (negen uur ‘s ochtends) uit Pernes en reden via
Carpentras naar Malaucène. Een heerlijk stuk fietsen dat
licht opliep en waar ik tot mijn schrik merkte dat Eiso al snel moest
lossen. Dat beloofde wat voor de rest van de dag. We hadden besloten te
klimmen vanuit Malaucène, omdat dat korter zou zijn. De
‘officiële' route liep weliswaar via Bedoin, maar
vanuit het noorden was-ie ook nog steeds twee kilometer hoog dus we
zagen geen beletsel om die route te nemen. Malaucène door,
over het bruggetje; dit viel allemaal best mee. Linksaf en daar begon
de lol. Godallemachtig wat een klim. Mijn eerste alp (het zou gelukkig
niet de laatste worden) en het was geen soepele kennismaking. Eiso's
inzinking op de aanloop was bedrieglijk gebleken want hij zette zich al
snel aan kop. Na een paar kilometer (driehonderd in mijn herinnering
maar vier in werkelijkheid) wreekte zich het feit dat hij niet kleiner
kon schakelen dan 42x24; dit suïcidale verzet bleek Eiso's
krachten toch te boven te gaan. Ik had goddank een 27 gemonteerd; niet
veel beter, gezien mijn conditie was een tripel met 28-tandwiel geen
overbodige luxe geweest. Na een kilometer of vijf de eerste stop; in
onze ogen een enorme nederlaag, maar deze eerste kilometers waren
catastrofaal genoeg geweest om onze ambities wat meer op
één lijn met de realiteit te brengen.
Gegeten en gedronken (heel veel friese koek en water mee) en weer
opgestapt. Na een tijdje nog geforceerd te hebben raakte ik zowaar in
een cadans. Het ging niet snel (hoe langzaam weet ik niet want een
fietscomputer had ik niet) maar ik bleef vooruitkomen. We hadden
afgesproken dat we niet op elkaar zouden wachten en de volgende pauze
bij een te volgen afslag zou zijn. Ik heb niet meer naar Eiso omgekeken
totdat ik de afslag in zicht kreeg, vooral uit vrees dat ik het ritme
daardoor zou verliezen. Dat die vrees niet ongegrond was bleek toen we
na de pauze weer doorfietsten en ik een ontzettende patat kreeg terwijl
Eiso aan de einder verdween. De volgende pauze was bij de boomgrens,
nog een flink eind verder - we hadden besloten samen naar de top te
gaan. Flink eten gestouwd, even gaan liggen om rustig te buiken,
opgestapt en zowaar, het ging een stuk beter. Mijn reisgenoot had wel
door dat hij een stuk langer op mij had moeten wachten dan ik op hem
dus met licht superioriteitsgevoel zette hij de laatste klim in naar de
top. Dit kon ik uiteraard niet over mijn kant laten gaan en bij de
laatste bocht zette ik de sprint in die me ook zo succesvol naar de
pieken van de Van Harinxmabrug had gebracht. Uiteindelijk toch maar in
de remmen geknepen om de belofte om samen aan te komen niet te breken
(ik acht het niet uitgesloten dat Eiso's verslag van de laatste
kilometer iets verschilt van het mijne).
We hadden er ongeveer drie uur over gedaan om van Malaucène
naar de top te komen; maar we waren vooral blij dat we het gehaald
hadden. Uiteraard wel foto's genomen om het aan het thuisfront te
bewijzen en een tijdje voor het observatorium gezeten. Het was
ondertussen redelijk laat en om tijd te sparen besloten we via dezelfde
route te dalen als waarlangs we gekomen waren. Vanaf dat moment wordt
mijn herinnering een beetje wazig; ik werd wakker in een Frans
ziekenhuis met een bord ontzettend smerige groene pasta voor me en geen
kleding behalve mijn wielerbroek. Het was negen uur ‘s
ochtends en ik had geen idee wat er gebeurd was. Rond twaalven kwam
Eiso langs en vertelde dat ik tijdens de afdaling met mijn voorwiel
tegen een nogal forse kei was gestuiterd en op mijn plaat was gegaan.
Het voorwiel zag eruit als een Fries pompeblêd (lelieblad),
de fiets was wat verfrommeld, maar wonder boven wonder was ik er met de
nodige schaafwonden en een gekneusde linkerschouder vanaf gekomen. Van
mijn shirt was echt helemaal niets meer over, en ik wil bij deze de
firma AGU bedanken voor de kwaliteit van haar textielen.
We hebben daarna nog een week gefietst met beperkt succes omdat ik
slechts met één hand kon sturen. Met Eiso ben ik
het contact een beetje verloren, maar een moeizaam bewegende
linkerschouder blijft een herinnering aan de Mont Ventoux.
Ilja Nieuwland
|