![]() |
| Verslag (33) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 Alfabetische index |
| Le
MONT VENTOUX. Het weer is optimaal. De temperatuur aan de voet is 25 graden. Veel zuurstof in de lucht als gevolg van een nachtelijk onweder. Een waterig zonnetje. Ik ben er klaar voor. De Ventoux zal het weten, ik kom eraan. Het spel gaat op de wagen. Uiteraard kies ik voor de zuidelijke, klassieke klim, bekend van talrijke heroïsche tourgevechten met Jean Robic, de frêle Breton, Fausto Coppi, il campionissimo, Charly Gaul, de berggeit, Frederico Bahamontes, de adelaar van Toledo en Jean-François Bernard, de getalenteerde stylist. Ik voel mij even de adelaar van de Hooidijk. De eens zo fascinerende radioreportages van Barend Barendse en wijlen Theo Koomen zijn hoorbaar nabij. Vanaf Bedoin 21 km. lang, een gemiddeld stijgingspercentage van tien procent, met uitschieters naar veertien, vijftien. Bedoin glijdt achter en onder me weg. Een redelijk lopende weg. Het valt niet tegen. In wielerjargon fluisterasfalt. Weinig verkeer. Slechts een langzaam omhoog kruipende Franse diesel, die zwarte uitlaatgassen uitspuugt. Hij gaat te hard om ingehaald te worden. Ik word op deze koninginnetocht begeleid door een monotoon concert van duizenden tsjirpende cicaden. Ik nader het gehucht St. Colombe. Een paar boerderijen en een kroeg, omarmd door frisgroene wijngaarden. De weg wordt steiler. De ademhaling onregelmatiger. Vóór me de Ventoux, een mysterie in wolken gehuld. Een vurige wens gaat in vervulling. Opwinding maakt zich van mij meester. Maanden heb ik naar deze ontmoeting uitgezien. Ik heb zelfs een camping gereserveerd, omdat niets aan het toeval overgelaten mag worden. Honderden keren heb ik de Hooidijk genomen, tientallen keren de Holterberg. Ik heb 39/28 laten monteren op mijn op maat gemaakte Ponsteenfiets. De avond tevoren geen bier en wijn gedronken. Vroeg tussen de klamme lappen. Geen seks. Veel spaghetti gegeten. Tot de slierten mijn neus uitkwamen. Ik voel me sterk. Onoverwinnelijk. Zoals die keren op de Redoute, de Wanne, de Muur van Geraerdsbergen. Zo sterk als Dirck de Wolff, de uit bier en patatten opgetrokken Vlaamse oermens, wiens naam mij in het peloton door een fietsmaat is aangemeten. Het zweet gutst langs mijn gelaat. Horden vliegen cirkelen onafgebroken rond mijn kop. De zon is nu echt doorgebroken. Wat is het stinkend heet. Water! Ik schakel. Verdomme, dit is dus al het kleinste verzet, mijn slim bedachte masterplan. Langs de weg een bord: Sommet á...18 km. Ik passeer nu, voor even soepel pedalerend, een vóór mij zwoegende fietser. Ik groet beleefd maar superieur. Een vaag knikje terug, doffe, diep weggevallen, holle ogen. Bewondering? Hij staat haast stil. Net na Les Bruns de eerste haarspeldbocht. Het lijkt een muur. Ik laat me niet verrassen en fiets ervaren, zoals Gerard mij dat geleerd heeft, de ruime buitenbocht. Op de weg de heroïek gekalkt van de onlangs verreden etappe: ERIC CARITOUX, zoon van de Provence en afkomstig uit het aan de zuidelijke voet van de Ventoux gelegen Flassan. VIRENQUE, Franse verrassing van de voorbije tour, AC, als initialen van de eeuwige belofte Armand dela Cuevas. Ik sta nu bijna stil. Ik zie, achterom kijkend, dat mijn net gepasseerde lotgenoot van zijn fiets stapt en de weg te voet vervolgt. Dat zal mij niet overkomen..... Drie weken geleden is het al weer, dat hier ruim tweehonderdduizend wielerfans de flanken van de Ventoux omzoomden, toen Eros Poli, een volslagen outsider met ruim 23 minuten voorsprong op het peloton, de voet als eerste bereikte en aan deze vreselijke klim begon. Een orgie van enthousiaste mensen, die de dag vóór de etappe al omhoog gingen en 's nachts op de berg bivakkeerden, omdat op de dag van de etappe de col voor al het verkeer gesloten was. Ik hoor de aanmoedigingen. Hier hebben Denen gestaan. Op de weg de namen van SöRENSEN, SKIBBY, RIIS, HAMBURGER. En natuurlijk het onvermijdelijke DANISH DYNAMITE. Het wordt heter. De zon wordt volwassen, en sluit een verbond met de Ventoux. De hel op aarde. Gelukkig geeft het bos enige verkoeling. Te weinig. Dat de temperatuur tijdens de klim zo'n twaalf tot vijftien graden daalt... daarvan merk ik weinig. De weg draait nu naar links. Een gehucht, badend in de kleur en geur van bloeiende papaver- en lavendelvelden. Dat moet St. Estève zijn. Een dorp met driehonderd bewoners, dat enige faam geniet, omdat er tot 1974 jaarlijks een Formule-II race startte naar de top van de Ventoux. Nog altijd is René la Tassier met een gemiddelde van ruim 148 km per uur de snelste man. Negen kilometer naar de top in minder van vier minuten... Ik kijk naar mijn tellertje: zeven kilometer per uur licht op. Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen. En dat terwijl de voorbereiding uitgebalanceerd was en omstandigheden perfect zijn. Ik ben nu bijna anderhalf uur onderweg. Een bidon leeg. Ik probeer een mueslireep. Ik krijg het spul niet door mijn droge strot. De meest bizarre gedachten komen in mij op. Ik verlang weer hevig naar school. Een gedachte, die, ik moet dat eerlijk bekennen, nooit eerder tijdens vakanties in mij opgekomen is. Alles is beter dan deze vreselijke helleweg. Na 16 kilometer is er weer een spoor van enig menselijke beschaving: le Chalet Reynard. 's Winters mondain trefpunt van après skiing, als de Ventoux bij temperaturen tot min dertig gehuld gaat in een meters dikke sneeuwdeken. 's Zomers een oase, een asielplek voor verdwaasde fietsjunkies, dolend naar de top, op zoek naar rust, koelte, vocht en erkenning. Ik nader de rand van het bos, die overgaat in een hallucinerend maanlandschap. Bier, veel koud bier en schaduw. In Godsnaam maar een rooster met veel tussenuren en alle rotklassen bij elkaar. Alles is beter dan het vervolg van deze helletocht door deze door God vergeten hel. Ik zoek een kleiner verzet. 39/28. Daarmee moet het gebeuren. Desnoods trap ik het achterwiel eruit. Ik word nu vriendelijk gegroet. De fietser die ik drie kwartier geleden passeerde, danst soepel langs mij heen. Holle, diepliggende ogen, een vaag knikje. Dit keer van mij. De vegetatie houdt op. Een verdwaalde den. Alleen maar stenen, stenen, stenen. Langs de weg geelzwarte palen, die de afgrond markeren. Daar beneden ligt Bélézy en mijn camping, in de schaduw van platanen, een parasolbeschut terras, met een hemels zwembad en een met bier goed gevulde koelkast. Dalende fietsers komen mij met een rotgang tegemoet. Het lijkt een vlucht uit de hel. Ik schat tachtig, negentig kilometer per uur. Vóór mij doemt langzaam de top op, uit de nevel. Het asfalt smelt, kleeft, plakt. Stenen, zon en daarnaast een peilloze diepte. Wie heeft mij er ooit toe gebracht te gaan fietsen? Le sommet op nog... slechts drie kilometer... Achttien zitten er op, drie lange kilometers volgen, met een zeer snelle afdaling naar Malaucène. Waar Indurain drie weken geleden met een slippende achterrem bijna de diepte inreed en nog net kon corrigeren. Een verschrikkelijke afdaling, die mij nog meer obsedeert dan de klim. Vooral de snelheid. Waar Pantani met slechts 55 kg en met zijn zit-achter-het-zadel 95 km per uur haalde. Ik realiseer me, dat ik het dubbele weeg. Dat zal consequenties hebben voor de snelheid van dalen. Ik heb nu wèl een helm, die ik drie maanden geleden mankeerde, toen ik met 35 km over een bobbel buitelde ergens tussen Wierden en Vriezenveen. Intensive care opname met gillende sirene: jukbeen op diverse plaatsen gebroken, zware hersenschudding. Angst bekruipt me. Straks naar beneden? De tweede bidon is nu ook leeg. Maar de top is haast grijpbaar nabij. Nog een aantal haarspelden en het is volbracht. Een kleine kilometer voor de top veel
auto's, mensen. Daar moet het gebeurd zijn, la chute de Tom Simpson.
Veel camera's. Ik hoor Theo Koomen. Nu devote rust. La seille de Tom
Simpson. Een gedenksteen tussen miljoenen stenen, bedekt met
fietsbandjes, schoenen, bidons, petjes. Zelfs een verroest
Mercierframe. Een plek waar je stil wordt. Waar Koomens stem in 1967
brak. Waar de karavaan huilde. Waar je begrijpt wat Ventoux en fietsen
met elkaar gemeen heeft. Waar je begrijpt wat dope is en vooral, waarom
het gebruikt wordt. Maar vooral wie hier de sterkste is, wie hier
regeert. De top van de Ventoux, de hemel op aarde, of in mijn geval de
hel? Ik strompel, kreupel weer op mijn fiets. Nog tweehonderd meter
naar de top. Een zegetocht. Tienduizenden langs de kant, mijn naam
scanderend. Ik krijg vleugels. Ik kan opeens klimmen, dans op de
pedalen. De passage wordt steeds nauwer. Veel water, aanmoedigingen.
Motards moeten weg. De hemel gaat open. Ik val mijn vrouw
geëmotioneerd om de hals en zoen haar vurig. Zij heeft mij
verboden op straffe van levenslange uitsluiting, zo kort na mijn val,
deze tocht te maken. Uit angst voor nieuwe brokken. Haar angst voor
mijn angst. Ze heeft gelijk gehad. Zoals vrouwen dat vaker hebben. Het
risico was groot. Ik, bezeten van angst. Een half uur heb ik mogen
dromen naast haar in de auto. Afzien en hevig zwetend, als een klimmer,
op weg naar de top van de Col des Tempètes... Op de top heb
ik haar een kaartje gestuurd met een stempel van de col des
Tempètes, le Mont Ventoux, met daarop de volgende tekst: |