![]() |
| Verslag (28) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 Alfabetische index |
| Sisyphus op een Batavus
'Fermé'. Ik knipper met mijn ogen. Het staat er echt. De top van de berg is gesloten. Verdomme! Dat slaat toch nergens op. Het is prachtig weer. De hemel is strakblauw, met hier en daar een stapelwolk… Verontwaardigd stap ik uit mijn auto en loop een stukje de berm in om de reus van de Provence in volle glorie te kunnen aanschouwen. De Mont Ventoux rijst massaal en vrij plotseling omhoog, in een verder leeg en flauw glooiend landschap. De stompe top is weliswaar in wolken gehuld maar dat kan toch niet het probleem zijn. Een beetje mist, meer niet. Het is half april. Vrij vroeg in het seizoen, dat is waar, maar volgens een Franse website zou hij vanaf vandaag, zaterdag 15 april 2000, toegankelijk zijn voor verkeer. Even moet ik slikken. Ik heb hier weken naartoe geleefd en ik heb goede benen. Dat bord moet nog vervangen worden door 'Ouvri' , hou ik mezelf voor. Geen paniek. De politie is hier gewoon wat laat mee. Die zijn vast de hele zolder over hoop aan het halen, op zoek naar dat ene verkeersbord. In gedachten zie ik een klein politiekantoortje voor me. Een driftige Louis de Funès zit vanachter zijn bureau zijn ondergeschikten uit te kafferen. 'Merde! Où-est le signal? Monsieur Burkunk de Hollande est arrivé! Vite!'. In mijn herinnering was de Ventoux steiler. Geheugenflarden verdringen zich. Het gedender van de autotrein naar Avignon. In een auto met een plakkerige bekleding naar de top van de Mont Ventoux. Het was een sensatie om in je T-shirt vanuit het warme dal plotseling op de top in de sneeuw te staan en over dat geweldige landschap van de Provence uit te kijken. Of lag er in de zomer geen sneeuw meer? Wat mij nog wel helder voor de geest staat is het Simpson-monument. We passeerden een groot stenen gebouw, behangen met bloemenkransen. Mijn vader vertelde het verhaal van de wielrenner die hier gestorven was. Als jongetje van tien was het moeilijk te bevatten waarom die Simpson was verongelukt tijdens die beruchte Tour-etappe. Hij ging immers naar boven, helemaal niet hard! Mijn vader vertelde dat hij 'doping' had gebruikt. Ik hoor mijzelf nog vragen wat doping dan wel was. Er volgde een prachtige uitleg die ik nooit ben vergeten. 'Als je benen moe zijn dan sturen ze een berichtje naar je hersenen dat ze moeten stoppen. Als je hart teveel moet pompen dan stuurt hij ook een berichtje. Je hersenen in je hoofd vangen al die signaaltjes op en sturen nieuwe berichtjes naar de rest van je lichaam. Dan zeggen ze bijvoorbeeld tegen je benen: nu stoppen en afstappen want anders houdt het hart het niet meer vol. Ze geven een soort alarmsignaal. Net zoals bij ons in de auto het lampje gaat branden als de olie op is. Zonder olie gaat de motor stuk. Doping is een pilletje dat die berichtjes opvangt en niet verder stuurt. De hersenen krijgen geen post meer van de rest van het lichaam en denken dat er niets aan de hand is.' De benen van Tom waren dus maar blijven draaien, terwijl de rest van zijn lichaam niet op de hoogte was, begreep ik. Toen had hij een hartaanval gekregen, vervolgde mijn vader. De dappere wielrenner stierf in het ziekenhuis. Ademloos had ik naar dat verhaal geluisterd. In mijn herinnering passeerden we vervolgens een groot gebouw op een kale bergtop. Boven de ingang van de graftombe stond met grote letters Tom Simpson gebeiteld. Die avond droomde ik in mijn tentje op de camping over een paar benen die op een fiets een berg beklommen, terwijl op het stuur een rood lampje knipperde. Maar de benen zagen het alarmlampje niet, ze gingen maar door. 'Fermé'. Het bord stond er nog steeds. Wat zal ik doen? Toch gaan fietsen, tot Chalet Reynard, het restaurantje op 5 km van de top. Tot zover moet je zeker kunnen komen. Maar is dat nog wel een beklimming te noemen? Kan ik met dat verhaal mijn vrienden onder ogen komen? Of een keer later in het jaar gaan? Van uitstel komt afstel. In ieder geval even kijken, besloot ik. Ik start de auto en rij langzaam omhoog.
Het
eerste stuk is een makkie, zoals bekend. Een paar maanden geleden is bij mij het idee ontstaan om deze Mont Ventoux met de racefiets te gaan beklimmen. Eén beroemde col uit de Tour de France. Waarom? Ik weet het niet. De beklimming is in ieder geval uitgegroeid tot een soort mythe. Dat moet ik dus ook een keer gedaan hebben. Als zoiets zich in je hoofd heeft vastgezet dan zal het uiteindelijk ook gebeuren. Kost wat kost. Nu rij ik op de route van de beklimming, zonder precies te weten wat er boven mijn hoofd hangt. Wat weet ik van fietsen in de bergen? Ik had natuurlijk wel de beelden in mijn hoofd zitten van Peter Winnen op de Alpe d'Huez en dat half sentimentele commentaar van die irritante Mart Smeets. Alsof Smeets uit ervaring sprak terwijl hij dat lompe lichaam geeneens de Schellingwouderbrug op zou kunnen slepen. Dat was eigenlijk genoeg reden om het zelf eens te doen. Nog steeds ben ik de eigenaardige mening toegedaan dat je alleen inlevend over prestaties van anderen kan praten als je zelf weet wat het betekent. Sinds vorig jaar rij ik met wat vrienden rondjes in de polder. Ik heb de racefiets vrij laat ontdekt. Tot drie jaar terug voetbalde ik met veel plezier in een vriendenelftal maar een knieblessure maakte abrupt een einde aan mijn carrière. Op de pedalen heb ik wonderwel geen last. Een gelijkmatige beweging die vooral de bovenbenen, kuiten en rug belast, niet het kniegewricht. Deze vroege voorjaarsvakantie in de Provence met mijn vrouw en een paar vrienden, vormde een uitgelezen mogelijkheid om eens te kijken of ik al vorderingen maakte in mijn nieuwste sport. Maar klimmen scheen iets anders te zijn dan een beetje in het wiel van je maatje in de polder hangen, dat had ik wel gehoord. Een uitputtingslag. Ik moest 'De Renner' van Tim Krabbé maar eens lezen… De parkeerplaats voor Chalet Reynard is leeg. Ik heb ongeveer 10 km door een bos gereden, zonder uitzicht op maar één stukje plat of zelfs een stuk minder steil. Niet echt een leuk vooruitzicht. Nergens een mogelijkheid om te ontsnappen aan het stijgingspercentage. Nergens ook zicht op de top. Er is een kort stukje in het parcours, waarbij je de top kan zien liggen. Een weerstation op een kaal stukje rots, nu nog bedekt met sneeuw. Alleen de laatste bocht langs wat houten vakantiehuisjes en zo'n 200 meter tot de parkeerplaats van het Chalet is beduidend minder steil. Psychologisch dus een heel belangrijk punt. Ik probeer het allemaal in mijn geheugen te prenten. Vanaf Chalet Reynard is het nog maar 5 km naar de top. Ook hier weer zo'n schreeuwend bord met 'Fermé'. Van dit soort machtsvertoon word ik altijd een beetje beroerd. De weg loopt echter gewoon door, zonder slagboom of een Louis de Funès-achtige politieman die mij druk gebarend tegenhoudt. Dat is vreemd. Vanaf de parkeerplaats verdwijnt de top achter een helling. Ik kan dus ook niet zien hoe de weg verder loopt naar de top. Chalet Reynard, eigenlijk niet meer dan een klein houten restaurantje en het begin en eindpunt van een stoeltjeslift, ligt er verlaten bij. Het begint zachtjes te regenen. Op de hellingen ligt een flink pak sneeuw maar de weg naar de top is mooi schoon geveegd en droog. Dit kan niet gevaarlijk zijn, zeg ik tegen mezelf. De stoeltjes van de skilift wiegen zacht in de wind. Ongemerkt verdwijnt de zon achter de wolken en pas nu voel ik hoe koud het op deze hoogte is. Ik huiver. Achter mij klinkt plotseling een auto. Tot mijn verbazing stopt hij niet maar rijdt over de parkeerplaats en vervolgt de weg omhoog. Je kunt dus blijkbaar verder. Zou het dan toch mogelijk zijn? Ik vat weer moed. Snel stap ik weer in de auto. Na een scherpe bocht naar rechts hoop ik een glimp van de top met die vreemde toren op te vangen. Maar ik zie alleen maar flarden mist, in een kaalgeslagen landschap met hier en daar grote stukken rots die uit de sneeuw steken. Aan het getrek aan mijn stuur voel ik hoe hard het waait. In het dal hangt een dikke wolkendeken; er is niet veel te zien. Een paar 100 meter verder onderscheid ik vaag in de mist de auto die mij voor was gegaan. Dichterbij zie ik dat de passagiers besluiten te voet verder te trekken. De weg is namelijk versperd door een grote roodwitte slagboom. Dus toch. De wandelaars snoeren de capuchons van hun dikke winterjassen nog wat vaster. Het lijkt wel een expeditie richting de top van de K2. Alleen de sherpa's ontbreken nog. Na een paar minuten verdwijnen ze in de mist. Terug in het plaatsje Bedoin aan de voet van de Mont Ventoux neem ik plaats achter 'un pression' op een terrasje onder de platanen. Het is hier weer behaaglijk warm. Wat een verschil! Op de achtergrond ligt de ouwe reus tevreden te dampen. Hij begint nu toch iets arrogants te krijgen. Het kan in ieder geval op de top behoorlijk spoken. Daar moet ik voor oppassen. 21 km stijgen is ook niet niets maar niet echt onmogelijk. Hij moet ook niet te hoog van de toren gaan blazen, die Mont Ventoux. Na wat gemijmer besluit ik om nog even naar het beroemde fonteintje te gaan kijken. Ik had ergens gelezen dat hier zich ook een startstreep bevond van marmeren tegels maar ik vond niets wat daar op leek. In ieder geval is het oude fonteintje het punt waar je moet beginnen volgens de verhalen. Even verderop staat een verkeersbord. Chalet Reynard: 15, Le Mt VENTOUX: 22. De renner Charly Gaul reed hier vandaan in de Tour van 1958 in 1 uur en 2 min naar boven. Tim Krabbé deed er 1 uur en 20 min over als amateur. En ik? Het verlangen om toch te gaan begon nu schrikbarende vormen aan te nemen. Er gaat niets boven je te meten met de vedetten, de grote der aarden. Hoe slecht je tijd ook wordt: you did it! Achter mij hoor ik het gepiep van handremmen. Het is een Engelsman op zo'n lelijke mountainbike met een heel klein verzet. Op dat soort fietsen kun je zo licht trappen dat je net zo goed kan gaan wandelen. We kijken elkaar aan en raden gedachten. Zielsverwanten. Meteen begint hij te vertellen. Gisteren was hij naar boven gereden. Geweldige beklimming. 'But it's closed?!', riep ik uit. 'Niet voor mij', zei hij stellig. Hij was om de slagboom heengereden. Een hel van een tocht maar hij was toch boven gekomen. Great experience. It took me 3 hours! Drie uur, denk ik. Kan ik met dat verhaal thuis komen? De Engelsman begint nu de ervaringsdeskundige uit te hangen. 'Goed weer is belangrijk. Veel zon, weinig wind. Het was gisteren bijvoorbeeld veel beter weer geweest op de top! Laat je niet bedriegen in het dal. Nu zou ik niet gaan. Het stormt daarboven. Hij stond te gebaren als een onheilsprofeet. Heel gevaarlijk. Neem een windjack mee als je gaat afdalen anders bevries je, zeker het eerste stuk over de kale vlakte is een koelkast. We spreken nog even over koetjes en kransjes (de mountainbiker reed met 36 achter!) en nemen afscheid. Good Luck! Terug in de auto trek ik mijn plan. Wachten op beter weer, daar had die Brit wel gelijk in. Donderdag ga ik. Een dag voordat mijn vakantie ten einde is. De weersverwachtingen zijn goed. Donderdagochtend ben ik toch
zenuwachtig.
Met moeite krijg ik mijn spaghetti Bolognese naar binnen. Idioot
eigenlijk.
Ik ga gewoon voor mijn lol naar boven fietsen De bandjes van mijn oude Batavus pomp ik keihard op. Mijn materiaal is ongeveer van voor de oorlog maar dat geeft niet. Het is goed onderhouden. Ik moet er niet aan denken dat ik met een gloednieuwe Koga met lichtgewicht velgen toch zou moeten afstappen… 'Dat scheelt allemaal wrijving,' roep ik stellig. Mijn vrouw staat te lachen. Een voetballer die het plotseling heeft over harde bandjes en 28 tandjes achter, daar moet ze nog even aan wennen. We spreken af dat zij mij drie kwartier voorsprong geeft. Dan zal ik ongeveer dicht bij Chalet Reynard zijn. Bovendien kan zij mij dan nog altijd uit de berm plukken en reanimeren. En als dat niet meer helpt: we hebben gelukkig een stationcar waarin mijn lichaam gestrekt vervoerd kan worden. We lachen ons rot maar plotseling zegt ze: 'doe je wel voorzichtig.' Banaan, Sultana's en mijn drinkbeker met Isostar. Ik heb alles. Hier beneden in het dal is het perfect weer maar dat zegt dus niets. Warm maar niet benauwd. Hoe zal het daarboven zijn? Als ik mijn toeclips aangesp, beginnen de klokken van het dorpskerkje van Bedoin te luiden. Een goed teken. Vlug kijk ik op de klok. Het is precies halfelf. Mijn Cateye op mijn stuur is al weken defect, daar heb ik dus geen last van. Mijn vrouw roept mij na: 'Kom op, Van Bon. De Dood of de Gladiolen'. Ik zwaai nog een keer en probeer een ritme te vinden. Ik trap lekker met 22 achter over een licht stijgend weg, dwars door een weiland met de berg aan mijn linkerhand. Het ruikt lekker fris. Achter mij verdwijnt het dorpje al snel. Alleen als het echt nodig is, neem ik mij voor, ga ik met 28 achter rijden. Dit gaat in ieder geval perfect. Weer dat bord met 'Fermé'. Het zal mij een worst wezen. Het brallen begint. Ik ga gewoon naar boven in 1.19, dwars door die slagboom heen. Krabbé begon op zijn 30ste. Ik zal die tijd van hem eens verpulveren. Hier komt Burkunk, de verrassing van het jaar 2000… Het is niet moeilijk om jezelf in de eerste kilometers helemaal leeg te trappen. Dat heb ik zelfs in de polder meegemaakt. Plotseling krijg je de pedalen niet meer rond, je ziet stippen voor je ogen en je wordt ingehaald door een huisvrouw met twee kinderen in de zitjes. Ik verlaag mijn tempo dus. Links in de berm staat een eerste kilometerpaaltje: D 974 alt 332 m 19. Ik ga dus 1600 meter stijgen, reken ik mezelf voor, op een afstand van 21 km. Dat is dus gemiddeld eh... Driehoek met een schuine zijde van 21 km… Allerlei getallen draaien voor mijn ogen. Mooi, hoofdrekenen gaat dus al niet meer. Maar dat heb ik nooit gekund, ook niet in stilstand. Ik moet denken aan Gerrie Kneteman die na een zware operatie aan de dokter vroeg: 'Dus als ik het goed begrijp kan ik, als ik genezen ben, ook weer pianospelen? Jazeker, meneer Kneteman, geen enkel probleem. Mooi, zei de Kneet: want dat heb ik vroeger nooit gekund.' Het asfalt gaat aan mijn banden trekken. Het feest gaat beginnen. Achter een paar huisjes maakt de weg een scherpe bocht naar links. Hier gaat de weg door het bos waar ik 10 km lang zal moet buffelen. Het stijgingspercentage bedraagt hier gemiddeld bijna 8%, met uitschieters naar 11%. Mijn hemel. Nu het nog kan neem ik snel een paar slokken uit mijn bidon. Als ik door de bocht draai zie ik een man in zijn tuintje zijn rozen snoeien. Hij kijkt op en ik groet hem. Hij beantwoord mijn groet niet maar trekt alleen een gezicht dat zoveel wil zeggen als: 'kijk, daar heb je weer zo'n gek uit het buitenland….' Enorme druk in mijn bovenbenen. Verdomme, dat hakt er meteen goed in. Rechts passeer ik een vergeeld bord met het opschrift 'Foret Communale de Bedoin'. Fijn. Welkom in het donkere sprookjesbos. Het asfalt lijkt hier wel gesmolten. Ik krijg nu al de pedalen niet meer rond. Mijn hart klopt in mijn oren. Even ga ik staan maar omdat ik weet dat dit zinloos is, laat ik mij snel terug op mijn zadel vallen. Zonder dat ik het echt zelf wil klap ik meteen mijn ketting op de 28. Hoppaké, weg goede voornemen. De ketting zal de hele tocht niet meer van de 28 afkomen. Draaien, gewoon blijven draaien met die benen. Na 10 minuten gestuntel vind ik eindelijk een cadans. Zonder het zelf te willen ga ik met mijn kop heen en weer, als een zwemmende eend. Geen gezicht. Het is maar goed dat ik helemaal alleen ben. Het is overigens macaber stil om mij heen. Geen zuchtje wind. De top is helemaal uit mijn gedachten. Je kunt hem ook niet meer zien. Het lijkt wel alsof ik door een namaakbos rij, een park van Walt Disney of zo. Steeds denk ik dat plotseling Bambi of Goofy over de weg zal huppelen. Zoveel mogelijk omwentelingen maken, dan kom ik hier vanzelf wel weer uit. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Is dit leuk? Niet meer denken, alleen maar trappen. Op de weg onder me staat het ook af en toe geschreven in witte letters: 'Trappe Ton'. De cadans doet mij goed. Ik herstel een beetje van de eerste klap. Met 22 omhoog slaat dus nergens op. Leermoment. Voor mij verschijnt plotseling een fietser, een lotgenoot. Kaarsrecht zit hij met weide benen op zijn mountainbike; het lijkt wel of hij elk moment kan omvallen. Puffend trapt hij in een hoog tempo een belachelijk klein verzet. Een soort versnelde film. In werkelijkheid kan een wandelaar hem nog bijhouden. Ik passeer hem in drie slagen. Ik groet hem en laat hem achter. Dat doet mij goed. In het land der blinden is eenoog koning… Links van mij in de berm komt langzaam weer zo'n mooi kilometerpaaltje dichterbij. Ik zwiep nu in een vast ritme met mijn hele lichaam. Ik verheug mij op het opschrift. Waar een mens allemaal al niet blij mee kan zijn. Ha, daar komt-ie: D 974 alt 563 m 20. 20? Dat kan toch niet! In slowmotion passeer ik de kilometerpaal. Ongelooflijk. In het dal stond hij nog op 19. Ik heb pas 1 km door dit verschrikkelijke bos gereden… Voor mijn gevoel waren het er vijf. De moed zakt mij diep in mijn fietsschoenen. Slechts 10 voetbalvelden vooruit… Marlin, jongen: je hebt de boel weer eens flink onderschat. Blijven trappen. Niet opgeven. Mijn keel voelt als van leer. Maar steeds als ik met mijn hand naar mijn bidon wil grijpen verdwijnt de cadans en gaan de pedalen extra zwaar. Wat een gekloot. Dan maar niet. Ik heb verdomme geeneens de tijd om te drinken, terwijl ik met een slakkengangetje naar boven ga. Wat is dit voor een sport? De laatste 5 minuten heb ik niet alleen de pedalen naar beneden getrapt maar ook naar boven getrokken met mijn toeclips. Ik voel niet of het iets uitmaakt maar ik blijf het toch maar doen. Mijn rug gaat trekken maar als ik een poging doe om hem te strekken raak ik weer uit cadans. Onrustig zoek ik naar een andere houding maar kom toch steeds weer in de pijnlijke beginpositie terug. De Ventoux deelt hier de lakens uit, bedenk ik mij. Ik geef mij over en luister naar wat hij wil. Hij wil pijn zien. Ik vind het best. Hij krijgt mij niet klein. 'C' est tout droit: 11 km'. Langzaam dringt de ironie van de woorden op het asfalt tot mij door. Hoe lang ben ik al aan het rijden? Het lijkt wel een eeuwigheid. Ik kijk achterom maar herken niets. Een verzakte boom en die met groen mos bedekte rots. Ben ik daar langs gereden? Ik heb geen tijd om hier over na te denken want voor mij doemt een hele steile haarspeldbocht naar rechts op. Ik schiet meteen helemaal naar links. De buitenkant lijkt de minste steile route. Ik geniet even van die paar meters 'plat' wegdek. Even die druk weg uit mijn benen. Maar het is snel voorbij. Ik zet alles op alles. Alle kracht stroomt uit mijn lichaam. Het doet zelfs pijn in mijn tanden. Ik ben er door heen. Het enige wat ik nu nog kan is de pedalen rondmalen. Een versnelling of een ander tempo zit er niet meer in, besef ik. Jammer dan. Na de bocht volgt een lang recht stuk. Ik probeer te denken maar mijn hersenen lijken te drijven in een pot met stroop. Nog 11 km naar de top … dat is ongeveer 6 km naar Chalet Reynard. Dan heb ik dus 10 km gereden, waarvan 4 door het bos. Ik gun mezelf een kijkje op mijn horloge. Het is 10 voor half 12. Ik ben al drie kwartier bezig. Dit wordt geen toptijd. 1.02 uur. Jezus, hoe kreeg die Gaul dat voor elkaar? Mijn respect voor de wielrensport groeit bij elke trap. Achter mij een auto. Verheugd kijk ik achterom maar het is geen Irene. Met loeiende motor passeert een witte Mercedes en laat mij achter in een wolk van koolmonoxide. Waar blijft mijn vrouw verdomme nou? Het is merkwaardig hoe snel je bij dit soort uitputtingsslagen je gaat vastklampen aan bepaalde ijkpunten. Een blik op je horloge, een slok van je bidon, een kilometerpaaltje, een verfrommeld blikje in de berm voor je. Het vormen absolute hoogtepunten in je bestaan op dat moment. Ik kijk nog een keer achterom en ja hoor. Daar komt ze. Ik krijg nieuwe energie. Mijn vrouw gaat lachend naast mij rijden. Raampje open. 'Gaat het goed, Theunisse?' 'Zwaarder dan ik dacht,' zeg ik hortend en stotend. Praten gaat ook niet meer zo vlot. 'Cadans kwijt, droge strot, hoe ver nog, Chalet Reynard,' pers ik er uit. Irene kijkt op de kilometerteller. 'Je zit op 12 km, dus nog 3 naar Reynard. Je gaat goed! Maar waarom beweeg je zo heen en weer?' 'Ga nou maar. Tot zo.' Meer zeggen lukt niet. Ik moet mij nu echt weer concentreren op het zwiepen want ik sta bijna stil. Irene begrijpt het en geeft gas. Zeven km tot de top, dat is dus 2, hooguit 3 km naar Chalet Reynard - een kippeneindje. Wat is nou 3 km in de polder bij ons? Je merkt het niet eens. Hier voelt 3 km aan als een overlevingstocht van drie dagen door de Sahara. Toch vat ik door het korte bezoek van mijn vrouw weer moed. Het zijn maar 30 voetbalvelden… Aan het eind van de weg voor mij zie ik rechts een bord in de berm. Dichterbij lees ik 'Chalet Reynard'. Verdomme, het kan dus niet meer ver weg zijn. Ik raak helemaal overmoedig. Ik probeer mijn tempo wat op te voeren. Na 1 minuut wordt deze hoogmoed genadeloos afgestraft. Zwarte stippen voor mijn ogen. De Ventoux zet mij op mijn plaats. Het is duidelijk wie hier de baas is. Wie denk je wel dat je bent, klein en nietig kaboutertje op je paarse fietsje? Hoor ik nu schamper gelach van de helling afkomen in het bos? Alweer ben ik een tijdje weggeweest. Alleen maar zwiepen, zonder gedachten. Ik kijk om mij heen. Langzaam dringt de omgeving weer tot mij door. Het bos wordt hier wat minder dicht en er liggen grijze slierten sneeuw in de berm. Pas nu valt het mij ook op dat hier paaltjes met geelzwarte banden in de berm staan. Ik moet dus hoog zitten. Nog geen Chalet, geen parkeerplaats, helemaal niks. Ik ben veel te vroeg gaan juichen. Alleen maar dat vervloekte asfalt zonder einde. Eindelijk weer een kilometerpaaltje maar dat vertrouw ik niet meer. Ik durf bijna niet te kijken. Ik heb het idee dat ik al een half uur aan het fietsen ben. Wedden dat hij weer een belachelijke afstand aangeeft? Daar komt-ie. Ja hoor: alt 1403 m 29. Dit is erg. Heel erg. Ik moet nog 2 km tot Chalet Reynard. Het lijkt wel of ik niets ben opgeschoten. Ik kan wel janken. Ben ik nou aan het ijlen? Sisyphus op een Batavus, dat ben ik. Hoe veel omwentelingen ik ook maak: de berg zet mij steeds weer een paar kilometer terug. Blijven trappen, Sisyphus, er zit niets anders op. Hoe liep die Griekse legende eigenlijk af? Hij zal wel doorgebeten hebben, toch? Of viel hij dood neer. Ik weet het niet meer… Een bocht, eindelijk. Een heerlijke
bocht
en een heel stuk minder steil. De houten vakantiehuisjes rechts
betekenen
dat ik niet ver weg ben van het Chalet. Nauwelijks vreugde, alleen maar
opluchting. Mijn vrouw staat op de parkeerplaats van Chalet Reynard te wachten. Ik besluit even te stoppen. Mijn windjack aan, helm op en even eten, het maakt nu toch niets meer uit. Een toptijd zit er niet meer in voor Sisyphus. Toch voel het als een nederlaag, afstappen. De berg heeft nu al gewonnen. 'Hé, held van mij. Nog een klein stukje…' Mijn eeuwige optimist lacht. Ik kan even niets zeggen maar ik geniet van haar stem. Trillend stap ik van mijn fiets en voel een snijdende pijn in mijn voet. Sta ik in glas? Ik kijk naar mijn voeten. Niets. Daarna een vreemde prikkeling, alsof ze bevroren zijn. 'Rug,' pers ik er uit. 'Helemaal niet leuk. Klote.' 'Wat kijk je glazig?' klinkt het nu toch echt verontrust. 'Gaat wel. Windjack. Moet verder…' Voordat het idee van stilstand en ontspanning tot mij door kan dringen, zit ik al weer op de fiets. Windjack aangetrokken, hele banaan en 3 Sultana's opgegeten, halve bidon leeggedronken en gaan zonder banaan. Op de een of andere manier geeft deze te korte stop mij toch een boost aan energie. Ik weet nu al dat ik hem ga uitrijden maar de kloktijd 'houden we onder de familie'. De zon schijnt fel op het besneeuwde, kale berglandschap. Wat een verschil met dat bos. De wind, schuin links tegen, voelt fris aan. Eigenlijk wel lekker. Door het heldere weer kun je bijna de gehele Provence overzien. Van de weeromstuit vind ik weer een cadans. Toch een beetje dat Übermensch gevoel wat mij altijd overvalt als ik hoog in de bergen vertoef. Vijf minuten geleden was ik nog Sisyphus en nu ben ik Zarathustra, de wijsgeer die de eenzaamheid van de bergen zocht op zoek naar waarheid. Ik begin nu echt behoorlijk door te draaien. Het is niet meer fris onder de pan. Daar is de slagboom al. Ik besluit er niet omheen te fietsen. Ik moet er niet aandenken nu lek te rijden op dat smalle en stenige modderpaadje dat om de slagboom heen voert. Afstappen en er onderdoor, dat lijkt mij beter. Nu heb ik echt het idee dat ik de laatste ronde inga. Passeer weer een kilometerpaaltje: alt 1517 31. Kijk, dat zijn de betere berichten. Nog 4 km. Mijn einddoel ligt helder aan de horizon te pronken. Een kleurendia met zo'n knalblauwe lucht. Daar moet ik naar toe. Het weerstation bestaat uit een laag gebouwtje met een vierkante toren en daarop een dikke massieve mast met roodwitte banden. De weg zigzagt met lange slagen naar dit baken voor wielrenners en andere idioten. In de berm en op de helling liggen dikke lagen sneeuw. Psychologisch gezien is dit stuk veel minder zwaar, praat ik mezelf moed in. Dat stond ook in de verslagen op Internet. Je ziet waar je naar toe rijdt en je kan de kilometers en het stijgingspercentage bij wijze van spreken aflezen. Dat is heel wat anders dan in dat donkere bos waar je geen overzicht hebt en waar je uiteindelijk alle hoop verliest op een ontsnapping. Fiets nu al weer tien minuten in een constant tempo door het kale berglandschap, zowaar geconcentreerd. Ogen op het asfalt onder mij gericht, mijn hele lichaam deint weer als een oceaanstomer. Dat prachtige uitzicht interesseert mij geen biet meer. Het asfalt, mijn schoenen en mijn polsen vormen weer mijn horizon. Snelheid schommelt volgens mijn gevoel tussen de 8 en 9 km per uur. Het is maar goed dat die Cateye het heeft begeven. Zo kan ik mezelf goed voor de gek houden. Ik reken mijzelf rijk. Dat is dus meer dan 2 km per kwartier. Ik kijk maar weer eens op naar die mislukte raket. Verdomme... Die kleurendia aan het einde van de horizon is nog steeds van hetzelfde formaat. Ik kom geen stap dichter bij! Gezichtsbedrog? Gaat de hoogte mijn waarnemingsvermogen aantasten? Omdat ik mij opwind verlies ik weer mijn cadans en sta ik bijna stil. Zarathustra wordt weer Sisyphus - er is niet veel meer voor nodig. En het lijkt wel of het hier weer steiler wordt! Niet meer denken, gewoon doen. Elke omwenteling is er een dichter bij de top. En ik zal het monument van Simpson zien… Simpson, dat is waar ook! Heb ik het gemist? Het lag toch op 1 km onder de top? Jezus, nu ben ik echt aan het afstompen. Het mooiste moment uit de hele rit. Hoe ver is het nog tot dat stomme weerstation? Het gevaarte staat nog in precies dezelfde verhoudingen aan de horizon te glimmen. Ik heb het idee dat het beeld in mijn netvlies is gebrand. Ik let er maar niet meer op. Aan het asfalt dat met een slakkengangetje onder mij door kruipt kan ik zien dat ik meters afleg. Daar richt ik mij op. Ongerust kijk ik steeds na vier omwentelingen schuin rechts de berm in. Het moet hier toch ergens zijn, verdomme. Plotseling zie ik rechts een klein gat in de dikke laag sneeuw die de berm bedekt. Het is het monument. Nou ja - een kleine half ronde steen, meer niet. In mijn herinnering en ook van foto's leek hij huizenhoog. In werkelijkheid niet groter dan een kinderzerkje. Daar ben ik nou helemaal voor naar boven gereden! Jezus, toch voelt het aan als een mijlpaal. Niet dat er nieuwe energie in mijn lichaam stroomt. Daarvoor moet er nu echt een wonder gebeuren. Ik weet wat ik nu moet zeggen. Ik schraap mijn keel maar er klinken geen woorden. Fietsen en praten tegelijk gaat niet meer. "Hello, Tom" denk ik maar zo hardop mogelijk. Er liggen ondanks het feit dat de top nog gesloten is voor autoverkeer wel bloemen bij. Door wie meegenomen? Ik rij hier nog steeds helemaal alleen. Ik fiets nog steeds, merk ik. Tom is allang achter mij. Mijn tanden beginnen vreemd aan te voelen…Stampende koppijn. Weer zo'n periode dat ik even weg was. Ik kijk om mij heen. De dia voor mij is veranderd, ik geloof mijn ogen niet. Sterker nog: ik kan zelfs de raampjes zien zitten in het weerstation. Op het moment dat ik het weerstation op 50 meter genaderd ben geloof ik het nog steeds niet. De zoveelste Fata Morgana. De weg zal wel weer met een enorme omweg naar het eindpunt leiden. Ik ben op het ergste voorbereid. Maar nee, echt, ik ben er! Een scherpe bocht naar rechts en ik rij zo het plateautje op waar je kunt uitkijken over de vallei! Gehaald. Ik klap uit mijn toeclips en laat mij naar een kant vallen. Met een stijve rug maak ik een vreugdedansje op de reus van de Provence. Haha, Fermé…Ik heb hem er toch onder gekregen. Joho! Met die maffe fietsschoentjes is het net of ik sta te tapdansen op zijn kop. Tik, tik. Pas nu zie ik dat twee wandelaars in de hoek van het terras mij vol verbazing aan zitten te staren. Op het moment van oogcontact schieten we met zijn allen in de lach. Wat een mafkees, moeten ze gedacht hebben. Het interesseert mij niet. Ik ben zo blij als een kind. Ik neem plaats op het muurtje en kijk op mijn horloge. 12.40 uur. Minus de 5 minuten rust bij Chalet Reynard heb ik er 2.05 uur overgedaan. Plotseling vind ik het niet eens een slechte tijd maar dat zal de hoogte wel zijn. Je gaat een beetje malen door het gebrek aan zuurstof… Afdalen is genieten maar wel stervenskoud in deze tijd van het jaar. De eerste kilometers laat ik mij alleen maar gaan en hou mijn benen stil. Het lijkt wel of ik langs een compleet andere weg afdaal. Ik zie keien die ik op de heenweg niet gezien had, kuilen in de weg en verkeersborden. Allemaal niet gezien. Het dal ligt nu prachtig in de zon. Eindelijk kan ik nu ook echt van het uitzicht genieten. Dit was het dus toch wel waard. Ik zie Carpentras liggen. Door het stilzitten merk ik nu ook dat ik een grote schaafwond op mijn kont heb en dat mijn bovenbenen volledig verzuurd zijn. Harder en harder - heerlijk! Mijn windjack klappert nu als de fok van een zeilboot die overstag gaat. Nu toch maar een beetje bijremmen. Ik volg mijn remkabeltje van mijn rechterhand naar mijn voorwiel. Het is toch wel een erg dun draadje, bedenk ik mij plotseling. Als dat nu eens pang zegt, wat dan? Met je fietsschoentjes gaan afremmen? Ik ga nu minstens 60 km per uur. Dan hou ik geen zool meer over. En dat bandje…dat kan ook pang zeggen. Er zijn dingen die je jezelf maar beter niet kan afvragen bij een afdaling. In 35 minuten reed ik de laatste 5 km naar boven. Nu leg ik dezelfde afstand af in 5 minuten. Ongelooflijk. Eindelijk krijg je van die Ventoux een aardig duwtje in de rug. Hij kan dus ook heel schappelijk zijn. De slagboom is nog niet te zien maar na deze bocht naar links moet hij toch in zicht komen. Ik ga keihard. Toch maar even flink in de ankers. 'Hé, Wagtmans! Waar is je washandje met azijn?' Verrast kijk ik omhoog. In de hoge berm staat mijn vrouw. Zij kijkt inderdaad graag naar Sportpaleis de Jong. De beste afdaler uit de Nederlandse wielergeschiedenis werd onlangs in dit prachtige programma geïnterviewd over zijn techniek. Op de top aangekomen ontvette hij met een washandje zijn banden zodat zijn banden meer grip hadden tijdens de afdaling. 'Mijn washandje heb ik maar bij Simpson achter gelaten. Kan men het monument mooi mee oppoetsen. Dan lijkt het nog wat. Het was geweldig boven.' roep ik met een schorre stem. Tot aan de slagboom rij ik stapvoets met een trotse vrouw aan mijn zijde. Na dit voor een afdaling levensgevaarlijk obstakel, volgt zij met de auto en laat ik mij echt naar beneden vallen. Beneden in het dal hoorde ik dat de kilometerteller af en toe boven de 70 uitkwam! Maar 90 km lijkt mij met al die bochten en voortdurend auto's die naar bovenrijden een sterk verhaal. Tijdens het afdalen drukt je lichaam vooral naar voren. Je polsen moeten plotseling alles dragen. Ook dit is een kunst. Toch heb je hierbij meer durf dan wijsheid nodig. Daar is het einde van het bos al. Wat kan afdalen lekker zijn…maar alle lekkere dingen duren altijd veel te kort. Om toch nog even na te genieten laat ik mij het hele stuk tot Bedoin naar beneden gaan. Ik heb recht op die zwaartekracht. Moe maar voldaan stuur ik, net even voor Bedoin, mijn Batavus een onverharde parkeerplaats op. Hij heeft zich goed gehouden. Op een oude fiets moet je het leren. Kort daarop plof ik neer naast mijn vrouw en zeg: 'Misschien kunnen we morgen terugrijden over de Alpe d'Huez. Lijkt mij ook wel geinig om te doen.' |