|
25 april 2006
Trots
Verslag van de allerjongste
Galérien
Half
vijf: de wekker gaat; voor mijn gevoel al de derde keer die nacht. Zal
wel door de zenuwen komen, denk ik. Vandaag is de dag dat ik vier keer
de Mont Ventoux ga beklimmen. Twee jaar ben ik hier mee bezig geweest;
vorig jaar gekeken of het überhaupt wel mogelijk zou zijn de
berg
drie keer te beklimmen. De mensen om mij heen vonden dat al geweldig
maar voor mij was het pas het begin, want ik wilde de Mont Ventoux niet
drie, maar vier
keer op een dag beklimmen. Nu was het moment aangebroken dat het
daadwerkelijk moest gebeuren.
Malaucène
Na
een ontbijt, liefdevol de vorige avond door m’n zus
klaargemaakt,
stap ik op de fiets. Het is nog donker en vrij koud. Zo te merken
slaapt, op de bakker na, heel Malaucène nog. Als alles goed
gaat
ben ik hier over een aantal uur weer terug. Langzaam rijd
ik de laatste
lichtjes voorbij en kom in de totale duisternis terecht. Ik heb geen
idee hoe hard ik op het moment rijd aangezien ik amper iets kan zien.
De weg zelf kent voor mij geen verrassingen meer: die ken ik zo
langzamerhand uit m’n hoofd. De laatste keer was minder dan
anderhalve week geleden.
Na drie kilometer in de duisternis komt er opeens vanachter een groot
licht te voorschijn. Het zijn mijn ouders in de auto, die de komende
kilometers als een baken van licht achter me zullen aanrijden. Hoe
hoger ik kom, hoe mooier het uitzicht: rechts zie je diep in de
duisternis de lichtjes van Avignon en Orange. Een werkelijk
prachtig gezicht.
Langzaam komt ook de zon op en wordt het lichter. Na acht kilometer is
het licht genoeg om alleen verder te gaan en rijdt de
‘volgauto’ me voorbij. Nog twee kilometer voordat
misschien
wel het zwaarste stuk van de totale tocht eraan komt. Vier kilometer
met gemiddeld 10% stijging: hier heb ik het al vaker moeilijk gehad en
ik ben benieuwd hoe het vandaag gaat. Het is in ieder geval wel een
goede indicatie over hoe de ‘benen’ vandaag zijn.
Het valt
me eigenlijk alles mee, ondanks dat ik me wel inhoud - ik moet per slot
van rekening nog een kleine honderdnegentig kilometer fietsen - gaat
het
heel aardig. Na de zware vier kilometer kan ik op weg naar Mont Serrein
even bijkomen.
Bij Chalet Liotard staan mijn ouders weer; ik stap even
af en eet twee bananen. Ik lig nog precies op schema: 1 uur en 5
minuten ben ik nu onderweg, als ik zo doorga kom ik rond de geplande 1
uur en 40 minuten aan.
De zon rijst
steeds hoger in de lucht, ik probeer een wedstrijd met hem
te houden wie het eerste op 1912 meter is. Het blijkt een onmogelijke
taak: hoe hard ik ook m’n best doe, de zon stijgt sneller dan
ik
en bereikt als eerste de top van de Ventoux. Niet veel later kom ik ook
boven. Na 1 uur en 43 minuten. Drie minuten langzamer dan gepland, maar
daar kan ik me niet echt druk om maken. Ik ben volgens mij de eerste
fietser vandaag en misschien later op de dag wel zo’n beetje
de
laatste.
Ik trek een windjack aan en daal om half acht precies de berg af naar
Bedoin. Onderweg kom ik drie fietsers tegen die de berg proberen te
bedwingen. Ze kijken me alle drie met ongeloof aan… dat
iemand
nu al weer naar beneden gaat. De afdaling verloopt vrij soepel, alleen
moet ik na vier kilometer hard in de remmen, omdat een kudde geiten de
weg verspert.
Om vijf minuten voor acht rijd ik de straten van Bedoin in. Mijn moeder
heeft in de tussentijd snel even een paar eclairs gehaald.
Want:
“dat eten die echte wielrenners toch ook?” Op het
terras
bij Relais du Ventoux drink ik snel een café en eet de eclairs op. Hier
rustte Simspon ook even voor zijn fatale beklimming van de Ventoux. Ik
moet die berg echter nog drie keer op vandaag en ben niet van plan om
het loodje te leggen.
Bedoin
Twintig minuten later zit ik weer op de fiets voor de tweede beklimming
van de dag: de beklimming vanuit Bedoin. Ik ben nu niet meer de enige
die omhoog gaat, voortdurend passeer ik andere wielrijders. Ik krijg er
ontzettend veel moed van en ondanks dat ik niet voluit rijd, ga ik toch
vrij hard. Na vijf km, vlak voor St-Estève, slaat het
noodlot
echter toe: ik rijd lek. Mijn ouders waren net voorbij gereden, maar
hevig gebarend stoppen ze. Mijn mecanicien, in de vorm van mijn vader,
gaat gelijk hard aan de slag om de band te plakken. Bij mij slaat
echter gelijk de schrik erin, drie jaar lang niet lek gereden en
uitgerekend op de dag van de grootste uitdaging van mijn leven rijd ik
wel lek. Na tien minuten zou de band gemaakt moeten zijn… Na
vijfhonderd meter sta ik echter weer met een lege band langs de kant
van de weg. Opnieuw maakt mijn vader de band en met vijfentwintig
minuten oponthoud vervolg ik mijn weg.
Van binnen ben ik echter heel ongerust geworden en dit resulteert in
het feit dat ik alle remmen van me afgooi en als een gek begin te
fietsen. In drie kilometer haal ik iedereen weer in die mij tijdens het
bandplakken had ingehaald. Ik rijd harder dan ooit door het bos en ik
krijg langzaam last van een oude kwaal, overmoed genaamd. Mijn vader
staat er telkens versteld van hoe snel ik voortdurend passeer en hij
probeert me tot rust te manen. Maar ik kan niet rustig aan doen. Ik
moet die verloren twintig minuten inhalen. Uiteindelijk kom ik na 1 uur
en 51 minuten op de top aan. Zonder de vijfentwintig minuten verlies
zou dat betekenen een tijd van 1 uur en 25 minuten. Zo snel ben ik nog
nooit geweest en eigenlijk ben ik er niet echt blij mee.
Ik ben nog niet eens halverwege en al redelijk vermoeid. Op de top is
het
nu al een stuk drukker met veel toeristen en fietsers. Ik haal een
stempel bij het souvenirwinkeltje en daal om half elf weer naar Bedoin
af.
Bedoin 2
Het wordt steeds warmer en wat ik eigenlijk al een beetje verwacht had
gebeurt: ik krijg een ontzettende terugslag en met hoofdpijn en met
benen waar het beste al lang vanaf is kom ik om vijf voor elf aan in
Bedoin.
Mijn moeder ziet dat ik het moeilijk heb en probeert m’n
moraal
weer wat omhoog te krijgen. Ze geeft me een paracetamol tegen de
hoofdpijn en we gaan weer rustig op het terras zitten. Eerlijk gezegd
heb ik nog weinig vertrouwen in het hele gebeuren. Vele gedachten gaan
door mijn hoofd: “Waarom
moest je nou zo hard gaan rijden net?
Heb ik dan toch te weinig getraind?”
De rust doet me wel een beetje goed en na een half uur op het terras
gaan we naar de plaatselijke fietsenmaker om de gereserveerde
mountainbike op te halen. Twee weken geleden had ik de route
forestière al verkend op dezelfde mountainbike die ik nu
krijg.
Eigenlijk is deze veel te klein voor een Hollander van 1 meter 93, maar
de fietsenmaker heeft niks groter en met het zadel op de hoogste stand
gaat het redelijk. De mountainbike gaat echter eerst de auto in, ik zal
hem pas gebruiken bij het begin van de route forestière. Een
heel groot genoegen vind ik zo’n mountainbike namelijk
niet.
3de beklimming
Om
tien voor twaalf, bijna een uur nadat ik aangekomen was in Bedoin,
vertrek ik voor de derde beklimming. Nu gaat het erom spannen. Kom ik
boven, dan zal ik puur op wilskracht Sault ook nog wel halen, maar gaat
het nu fout, dan zal dit avontuur eindigen in een
anticlimax. De eerste acht kilometer over het asfalt eet en drink ik
ontzettend veel, aangezien ik straks niet meer te bevoorraden zal zijn.
Na acht kilometer kom ik bij het begin van de route
forestière
aan. Ik voel me nog steeds slecht en ik heb nog steeds weinig
vertrouwen in de goede afloop. Maar een bekend spreekwoord luidt: Wie
niet waagt wie niet wint, en onder dat mom begin ik aan
het eenzaamste
stuk van de dag. Met mijn MP3 speler, twee bidonnen en twee bananen in
de achterzak vertrek ik. Als alles volgens plan verloopt, zal
ik
mijn ouders over ongeveer anderhalf uur terug zien.
Route forestière
Ik besluit om telkens twintig minuten te rijden en dan even te stoppen.
Het begin gaat redelijk, maar hier is het ook nog niet echt steil. Ik
had thuis in Nederland speciaal de finishtune van Radio Tour de France
op m’n MP3 speler gezet voor de moeilijke momenten. Na
vijfendertig minuten alleen door het overigens prachtige landschap is
het daar dan ook daadwerkelijk tijd voor. De weg wordt steiler en ik
krijg het steeds moeilijker. De finishtune en het prachtige landschap
slepen me in deze fase erdoorheen. De weg blijft echter maar steiler
worden en na vijftig minuten gebeurt iets dat eigenlijk alleen gepland
was voor de laatste vijfhonderd meter: ik krijg kramp in beide benen en
moet afstappen. Ik strek de benen en besluit een nog lichter verzetje
te gaan rijden. Ik ga nu tergend langzaam omhoog, maar ik ga omhoog en
dat is het belangrijkste. De kramp neemt niet echt af, maar wordt ook
niet heftiger. Langzaam maar zeker nader ik Les Grands Pins,
vanaf
daar zal de weg makkelijker worden. Vanaf Les Grands Pins ontspan ik de
benen een beetje en rijd heel rustig naar Tournant de
l’Anglais,
waar mijn ouders me al op staan te wachten. Ik heb het ergste deel van
de dag er opzitten, maar mijn zorgen zijn er niet minder om
geworden.
Na een korte
stop, waarin ik wat drink en eet, stap ik weer op de
racefiets. Het gevoel om weer op een racefiets te zitten in plaats van
een mountainbike geeft me gelijk weer nieuwe krachten. Het is iets meer
dan vier kilometer vanaf Tournant de l'Anglais en meter voor
meter tel ik ze
af. Het enige wat ik nu nog doe is overleven en zorgen dat de kramp uit
m’n benen blijft.
Om iets over half drie bereik ik uiteindelijk de top voor de derde
keer. Twee uur en vijfenveertig minuten nadat ik uit Bedoin was
vertrokken. Het lijkt op de top wel alsof de Tour er aankomt: zo druk
is het. De auto’s staan tot ver onder de top geparkeerd en
bovenop de berg worden de fietsers zowat ondersteboven gereden, een
heel groot contrast met enkele uren geleden, toen ik daar nog als enige
stond. Ondanks dat de afdaling naar Sault vrij saai is verheug ik me
erop: eindelijk een mogelijkheid om de benen even te ontspannen.
Verrassing in Sault
De afdaling verloopt vrij gemakkelijk, al is de weg soms zo vlak dat ik
toch moet trappen om nog een beetje vooruit te komen. Ik baal daar nu
van, maar straks zal ik me er alleen maar om kunnen verheugen. Na
vijfentwintig kilometer kom ik bij het vervelendste stuk van de hele
dag: het laatste stukje omhoog voordat je Sault binnenrijdt. Ik merk
gelijk dat mijn benen eigenlijk niet echt uitgerust zijn, ik moet
aardig worstelen om boven te komen. Om vijf voor half vier kom ik Sault
eindelijk binnen rijden.
Hier wacht een grote verrassing: mijn twee tantes zijn samen met mijn
zus hier naar toe gekomen om mij te supporteren tijdens de vierde
beklimming. Zoals meestal tijdens een zware vermoeidheid is mijn humeur
gedaald naar een bedenkelijk niveau en het is dat m’n tantes
speciaal voor mij gekomen zijn, anders zou ik nu niet te harden zijn.
Ik ben hier twee jaar mee bezig geweest en ik moet en zal nu die berg
nog eenmaal op fietsen vandaag. Met deze gedachte vertrek ik om vier
uur precies voor de laatste beklimming van de dag.
Ik trap nu absoluut niet meer harder dan ik eigenlijk kan en het is dat
de weg niet zo steil is dat ik nog met een redelijke snelheid vooruit
kom. Kilometer voor kilometer kom ik dichterbij mijn doel. Om de
drie kilometer staan mijn supporters langs de kant van de weg om me
omhoog te schreeuwen. Alhoewel ik voor m’n gevoel de
uitputting
nabij ben, krijg ik langzamerhand toch een goed gevoel. Ik ga vandaag
voor de vierde keer boven komen.
Na een uur en vijftien minuten bereik ik Chalet Reynard, waar
ik
met de totale aanhang op het terras ga zitten. Ik eet snel even twee
crêpes en ondertussen is de supporterschare gegroeid. Mijn
oom
en tante en mijn nichtje komen mij de laatste 6 kilometer ook omhoog
schreeuwen. Vijftien minuten na mijn aankomst bij het Chalet Reynard
vertrek ik voor de grote finale, de laatste zes kilometer door het
maanlandschap. Ik heb het zwaar, maar de top is in zicht en bij elke
bocht staan er mensen die me toejuichen. Erg veel steun van andere
fietsers heb ik niet, op dit uur zijn het er nog maar weinig. De
laatste kilometer komt langzaam in zicht, al het extra gewicht moet nu
van mijn fiets af: bril, bidon, petje alles moet weg. Nu telt er nog
slechts één ding: de top bereiken. Nog
negenhonderd
meter: ik zal het halen. Achthonderd meter: straks nog een sprintje
eruit persen. Zevenhonderd meter: niet denken, fietsen moet je.
Zeshonderd meter: nog maar zeshonderd meter. Vijfhonderd meter: nu niet
instorten. Vierhonderd meter: nu maar hopen dat er niemand van zestien
jaar dit ook gedaan heeft. Driehonderd meter: de laatste bocht aan de
buitenkant nemen. Tweehonderd meter: het laatste stukje nog een klein
sprintje? Honderd: ik heb het toch maar mooi gedaan. Gedurende de
laatste meters maakt een geweldig gevoel zich van me meester. Eigenlijk
ben ik wel trots op mezelf. Ik heb iets gedaan wat nog nooit iemand
anders van zeventien gedaan heeft, vandaag ben ik vier keer de Mont
Ventoux opgefietst.
In een roes naar beneden
Bovenop de berg staat mijn hele familie te wachten en ik word luid
toegejuicht. De foto’s worden gemaakt en ik voel me net een
echte
wielrenner. Na een kwartier besluit ik echter dat het tijd wordt voor
het laatste stukje van de dag: de afdaling naar Malaucène.
Er
zijn vele afdalingen in de wereld maar weinige zijn voor een vermoeide
fietser zo fijn als de afdaling naar Malaucène. Zonder te
trappen en al te veel remmen rijd je in een roes naar beneden. Op dit
eenzame moment dringt mijn prestatie pas langzaam tot me door.
”Mijn
naam is Jolke Roozen en ik heb de Mont Ventoux vier keer op een dag
beklommen!”
Zie
ook pagina Uitdagingen/Giganten
en pagina Nieuws.
|