 |
Circa mea pectora multa sunt suspiria de tua puchritudine, que me ledunt misere. Ah!
Manda liet, manda liet, min geselle chomet niet! Tui lucent oculi sicut solis radii, sicut splendor fulguris lucem donans tenebris. Ah!
Manda liet, manda liet, min geselle chomet niet! Vellet deus, vellent dii quod mente proposui: ut eius virginea reserassem vincula. Ah!
Manda liet, manda liet, min geselle chomet niet!
|
 |
 |
In mijn hart zijn veel verlangens naar jouw schoonheid, die me ellendig maken. Ah!
Manda liet, manda liet, mijn geliefde komt niet! Je ogen schitteren zoals de stralen van de zon, zoals het flitsen van de bliksem licht brengt in de duisternis. Ah!
Manda liet, manda liet, mijn geliefde komt niet! Moge God, mogen de goden geven, wat ik in gedachten heb: dat ik de ketens van haar maagdelijkheid mag losmaken. Ah!
Manda liet, manda liet, mijn geliefde komt niet!
|
 |