Estuans interius ira vehementi in amaritudine loquor mee menti: factus de materia, cinis elementi similis sum folio, de qou ludunt venti.
Cum sit enim proprium viro sapienti supra petra ponere sedem fundamenti, stultus ego comparor fluvio labenti, sub eodem tramite numquam permanenti.
Feror ego veluti sine nauta navis, ut per vias aeris vaga fertur avis, non me tenent vincula, non me tenent clavis, quero mihi similes, et adiungor pravis.
Mihi cordis gravitas res videtur gravis; iocus est amabilis dulciorque favis; quisquid Venus imperat, labor est suavis, que numquam in cordibus habitat ignavis.
Via lata gradior more iuventutis implicor et vititis immemor virtutis, voluptatis avidus magis quam salutis, mortuus in anima curam gero cutis.
Verscheurd door innerlijke woede spreek ik vol bitterheid tot mijn hart: uit stof ben ik geschapen, uit de as van de elementen ik ben als een blad waarmee de winden spelen.
Als het dan de manier van doen van de wijze man is om op steen zijn fundament te bouwen, dan ben ik een dwaas die als een stromende rivier, nooit zijn loop verandert.
Ik word meegevoerd als een schip zonder stuurman, zoals vogels afdrijven in de luchtlagen; ketenen noch sloten houden me tegen, ik zoek mensen zoals ik, en voeg mij bij de stakkers.
De zwaarte van mijn hart schijnt een zware last te zijn; het is leuk grappen te maken en zoeter dan een honingraat; wat Venus ook beveelt, 't is een kleine moeite, zij bewoont nooit een verdoofd hart.
Ik reis over de grote weg zoals mijn jeugd dat wil ik stort me in de misdaad houd me niet aan de moraal, begerig naar vleselijk genot meer dan naar verlossing, mijn ziel is dood, dus zorg ik alleen nog voor mijn lijf.